Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 11 mei 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:5342
Feiten
Werkneemster was werkzaam bij Stichting Evean Zorg (hierna: Evean) per 1 augustus 2023 op basis van een leerwerkovereenkomst als leerling-verzorgende IG. Per 1 september 2024 is de arbeidsovereenkomst door Evean opgezegd als gevolg van twee onvoldoende beoordelingen. Op 17 november 2025 heeft werkneemster Evean gedagvaard. In onderhavige procedure vordert werkneemster primair € 30.000 aan schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad en subsidiair een billijke vergoeding van € 25.000 vanwege kennelijk onredelijk ontslag.
Oordeel
De kantonrechter verklaart werkneemster niet-ontvankelijk in haar vorderingen. Gelet op het gesloten ontslagstelsel en de omstandigheid dat de schadevergoedingsvordering dus kennelijk alleen ziet op het ontslag en de wijze waarop dit ontslag tot stand is gekomen, had werkneemster ingevolge artikel 7:686a juncto 7:681 BW binnen twee maanden na het ontslag per 1 september 2024 een verzoekschriftprocedure moeten beginnen en daarbij om een billijke vergoeding kunnen verzoeken. Dat heeft zij niet gedaan, hoewel zij ook toen al werd bijgestaan door haar gemachtigde. Door dit niet te doen is het recht om dit nu alsnog te doen vervallen, nog los van de omstandigheid dat de kennelijk onredelijk ontslagprocedure op 1 juli 2015 met de invoering van de Wet werk en zekerheid is vervallen.
