Naar boven ↑

Rechtspraak

Centra-Klima B.V./werknemer c.s.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 19 mei 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:1418
Werkgeefster is er niet in geslaagd te bewijzen dat werknemers door haar gestelde overtredingen van concurrentiebeding hebben begaan.

Feiten

Werknemers waren als monteur in dienst van Centra-Klima B.V., een installatiebedrijf voor verwarming, koeling en luchtverversing, dat zonnepanelen levert en installeert. Op de arbeidsovereenkomsten van werknemers is een concurrentiebeding van toepassing dat verbiedt 'een zaak, gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan die van werkgever, te vestigen, te drijven of te doen drijven'. Werknemers hebben in juli 2019 hun arbeidsovereenkomsten opgezegd en zijn eind 2019 in dienst getreden van een ander installatiebedrijf. Op 6 maart 2020 hebben werknemers een vennootschap onder firma opgericht en deze ingeschreven in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel. Centra-Klima heeft aanspraak gemaakt op forse boetes wegens overtreding van het concurrentiebeding vanwege het oprichten en drijven van een eigen onderneming. Het hof oordeelde dat overtreding van het 'vestigen' is komen vast te staan. Het enkel 'drijven' van de onderneming levert geen schending van het concurrentiebeding op. Daarvoor zijn - naar het oordeel van het hof - concrete overtredingen nodig. Werknemers zijn tot betaling van € 20.000 respectievelijk € 30.000 veroordeeld. Tegen het arrest van het Hof Den Haag heeft Centra-Klima cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad, omdat zij het oordeel van het hof dat werknemers de onderneming niet hebben ‘gedreven’ onbegrijpelijk vond. Daarbij klaagde Centra-Klima er onder andere over dat het hof haar ten onrechte niet tot bewijs heeft toegelaten van twee nader bij akte genoemde adressen waarop werknemers volgens Centra-Klima concurrerende werkzaamheden zouden hebben verricht en dat het hof had moeten beoordelen of de beslagkosten kunnen worden teruggevorderd van werknemers nu een deel van de vordering is toegewezen. Bij arrest van 8 maart 2024 heeft de Hoge Raad het arrest van het Hof Den Haag in het principale cassatieberoep vernietigd om bovengenoemde klachten. De overige klachten van Centra-Klima slaagden niet. De Hoge Raad heeft de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar het Hof Amsterdam verwezen. Het gaat thans alleen nog over de vraag (i) of Centra-Klima de beslagkosten kan terugvorderen van werknemers en (ii) of werknemers het concurrentiebeding hebben overtreden door werkzaamheden op de twee adressen (genoemd in de akte) te verrichten. Bij tussenbeschikking heeft het hof geoordeeld dat werknemers de beslagkosten moeten betalen. Centra-Klima is verder toegelaten in bewijslevering van twee bij akte gestelde overtredingen. De twee gestelde overtredingen zien op het plaatsen van een expansievat op adres 1 en het leveren en installeren van een airco op adres 2. Uit het dossier en de daarin aangetroffen verklaringen blijkt immers niet met zekerheid dat de betreffende werkzaamheden zijn uitgevoerd gedurende de looptijd van het concurrentiebeding (dit zou ook vlak daarna kunnen zijn geweest).

Oordeel

Het hof oordeelt als volgt. Centra-Klima heeft de door haar gestelde overtredingen van het concurrentiebeding niet bewezen. Daarbij stelt het hof voorop dat artikel 164 lid 2 Rv, zoals dat luidde tot 1 januari 2025, op grond van het overgangsrecht op deze zaak van toepassing is. Dat brengt met zich dat de verklaring van de directeur-eigenaar van Centra-Klima als partijgetuige beperkte bewijskracht heeft. De verklaring van een partijgetuige kan omtrent door hemte bewijzen feiten immers geen bewijs in zijn voordeel opleveren tenzij deze strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Hiervan is alleen sprake als er aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken (HR 31 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1688). Die aanvullende bewijzen zijn er naar het oordeel van het hof niet. Niet is bewezen dat de betreffende werkzaamheden zijn uitgevoerd gedurende ‘de verboden periode’ zijnde de looptijd van het concurrentiebeding. Het vonnis van de kantonrechter Rotterdam van 24 september 2021 wordt vernietigd en werknemer 1 wordt veroordeeld tot betaling van € 20.000 en werknemer 2 tot betaling van € 30.000, te vermeerderen met wettelijke rente.