Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Covebo Techniek B.V.
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 29 april 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:4001
Loonvordering. Werkgever had 8,33% in plaats van 8% vakantietoeslag aan werknemer moeten uitkeren. Werkgever veroordeeld tot betaling van 0,33% aan achterstallige vakantietoeslag.

Feiten

Werknemer is op 10 oktober 2022 in dienst getreden bij uitzendbureau Covebo Techniek B.V. (hierna: werkgeefster). Vanaf 30 december 2024 geldt een fase C-arbeidsovereenkomst. Daarop is de ABU-cao van toepassing. Vanaf 22 augustus 2025 heeft werkgeefster de loonbetaling aan werknemer gestaakt. Werknemer is van 15 september 2025 tot 21 oktober 2025 opgenomen geweest in een instelling voor geestelijke gezondheidszorg. Werknemer heeft werkgeefster op 10 november 2025 te kennen gegeven dat er geen sprake is geweest van een beëindiging van de arbeidsovereenkomst, dat de overeenkomst onverminderd door is blijven lopen en dat werkgeefster daarom het loon aan werknemer moet doorbetalen. Werkgeefster heeft op 15 november 2025 aan werknemer laten weten dat werknemer zelf zijn arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang heeft opgezegd op 22 augustus 2025 en daartoe een opzeggingsverklaring heeft ondertekend. Werknemer heeft dit vervolgens betwist. Werknemer heeft aanvankelijk verzocht de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen. Na indiening van het verzoekschrift heeft werkgeefster werknemer weer in dienst genomen en met terugwerkende kracht ziekgemeld per 23 augustus 2025. Op 19 maart 2025 heeft zij een bedrag van € 14.194,16 netto aan achterstallig salaris aan werknemer voldaan. Werknemer verzoekt thans alleen nog betaling van € 3558,75 netto aan achterstallig salaris, te vermeerderen met wettelijke verhoging en rente.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. De onderhavige procedure had niet met een verzoekschrift maar met een dagvaarding moeten worden ingeleid. De kantonrechter doet met toepassing van artikel 69 Rv bij vonnis uitspraak. De kantonrechter overweegt dat werknemer op basis van artikel 4.4 van de arbeidsovereenkomst en in overeenstemming met de ABU-cao recht heeft op 8,33% vakantietoeslag. Voor zover werkgeefster bij het uitbetalen van het achterstallig salaris heeft gerekend met 8% vakantietoeslag, hetgeen uit de door werkgeefster overgelegde salarisspecificaties valt af te leiden, klopt dat dus niet. De gemachtigde van werkgeefster heeft aangevoerd dat de vakantietoeslag en vakantiedagen op basis van de cao worden gereserveerd en niet periodiek worden uitbetaald. Artikel 4.6. van de arbeidsovereenkomst bepaalt echter dat de reserveringen voor vakantiebijslag en bovenwettelijke vakantiedagen periodiek (wekelijks) worden uitgekeerd. De cao maakt dit ook mogelijk. Dit betekent dat werkgeefster wel degelijk de vakantietoeslag (van 8,33%) had moeten uitbetalen. De kantonrechter veroordeelt haar daarom dit alsnog te doen. Wat betreft de vakantiedagen overweegt de kantonrechter dat op basis van voormeld artikel uit de arbeidsovereenkomst de bovenwettelijke vakantiedagen ook wekelijks moeten worden uitbetaald. Op basis van de nu voorhanden zijnde stukken kan de kantonrechter echter niet vaststellen of dat is gebeurd. Werknemer heeft ook niet duidelijk gemaakt om hoeveel vakantiedagen het zou gaan. Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter het deel van de loonvordering van werknemer dat ziet op achterstallige vakantietoeslag met wettelijke verhoging en rente toewijzen. Het overige deel van de loonvordering wordt als onvoldoende onderbouwd afgewezen.