Rechtspraak
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 2 maart 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:3314
Feiten
Werkneemster is per 6 augustus 2007 in dienst getreden bij STMG Ondersteuning Thuis B.V. (hierna: STMG) in de functie van ondersteunende hulp (thuishulp). Werkneemster is op 3 september 2025 ziek uitgevallen. Naar aanleiding van een aantal meldingen over werkneemster, heeft STMG een (integriteits)onderzoek uitgevoerd. Per e-mail van 30 september 2025 is werkneemster op staande voet ontslagen, onder meer omdat zij zich volgens STMG schuldig had gemaakt aan financiële integriteitsschendingen zoals het ontvangen van ruim € 20.000 op haar bankrekening van een cliënt. Werkneemster verzoekt vernietiging van het ontslag op staande voet.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Onder meer is vast komen te staan dat werkneemster ruim € 20.000 van de rekening van een cliënt heeft overgemaakt naar haar eigen rekening. Zelfs indien de cliënt hierom zou hebben verzocht in het kader van ‘ruil’, had werkneemster zich van dit handelen dienen te onthouden. Werkneemster wist of behoorde te weten dat dit handelen niet tot haar werkzaamheden behoorde en dat dit in strijd was met de gedragscode en op zijn minst tot vragen zou kunnen leiden over haar integriteit. Zij had dit daarom moeten weigeren en het had voor de hand gelegen dat zij hiervan melding zou hebben gemaakt bij STMG. Bovendien heeft werkneemster haar standpunt, dat er in feite sprake is van ruil, niet onderbouwd en zijn er ook overigens daarvoor geen aanwijzingen. Dit terwijl, als klopt wat werkneemster naar voren heeft gebracht, aangenomen kan worden dat zij dit, bijvoorbeeld door middel van het overleggen van bankafschriften van haar eigen bankrekening met daarop pinopnames, nader had kunnen onderbouwen. Het verwijt dat werkneemster met een bankpas van een cliënt contant geld zou hebben opgenomen, is niet vast komen te staan. Ook is vast komen te staan dat werkneemster heeft gelogen dat zij toestemming van haar leidinggevende had om financiële zaken voor een cliënt te regelen. Ook is vast komen te staan dat werkneemster in het testament van een cliënt stond. Alles afwegende is de kantonrechter van oordeel dat er gelet op hetgeen hiervoor is overwogen sprake is van een dringende reden die een ontslag op staande voet rechtvaardigt. De persoonlijke omstandigheden van werkneemster wegen niet op tegen de aard en de ernst van de dringende reden. Hetzelfde geldt voor de gevolgen van het ontslag voor werkneemster. Daarvoor wegen voornoemde redenen te zwaar. Dit geldt in het bijzonder voor de tweede reden waarop het ontslag op staande voet is gebaseerd. Dit handelen van werkneemster is onacceptabel en ontoelaatbaar. Het toepassen van hoor en wederhoor en het verrichten van deugdelijk onderzoek is geen harde eis voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet. Bovendien heeft STMG werkneemster voldoende in de gelegenheid gesteld om haar kant van het verhaal te vertellen, maar heeft zij dit steeds geweigerd. De door STMG verzochte gefixeerde schadevergoeding wordt toegewezen. Werkneemster wordt in de proceskosten veroordeeld.
