Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 7 april 2026
ECLI:NL:RBOBR:2026:2326
Feiten
Werknemer was sinds 21 augustus 2023 als grondwerker in dienst bij Infraway op basis van twee opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. De laatste arbeidsovereenkomst liep tot en met 20 augustus 2025 en is door Infraway niet verlengd. De arbeidsomvang bedroeg 38 uur per week en het laatstverdiende loon bedroeg € 4.182,75 bruto per maand, vermeerderd met vakantiegeld. Op de arbeidsovereenkomst was de cao Metaal en Techniek van toepassing, waarin onder meer een regeling is opgenomen voor vergoeding van reisuren bij karweiwerkzaamheden. Werknemer verzoekt in deze procedure om betaling van een aanzegvergoeding, de transitievergoeding en nabetaling van loon wegens volgens hem ten onrechte verrekende minuren en nog openstaande overuren. Volgens hem had Infraway niet tijdig en schriftelijk aangezegd dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden voortgezet. Ook stelde hij dat de transitievergoeding zelfstandig verschuldigd was en niet kon worden verrekend met een betwiste tegenvordering. Verder meende hij dat Infraway ten onrechte minuren had ingehouden en dat hij juist overuren had gemaakt, mede doordat reistijd van en naar wisselende projectlocaties als arbeidstijd, althans als te vergoeden reistijd op grond van de cao, moest worden aangemerkt. Infraway voert verweer. Zij stelt dat zij op 9 juli 2025 via WhatsApp tijdig en schriftelijk heeft meegedeeld dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd. Daarnaast stelde Infraway dat werknemer structureel minder uren had gewerkt dan hij had opgegeven. Op basis van weekstaten, GPS-gegevens uit de bedrijfsauto en een gesprek op 9 juli 2025 kwam Infraway tot de conclusie dat sprake was van minuren. Een deel daarvan was met het loon over juli en augustus 2025 verrekend. Later berekende Infraway een totaal van 159,5 minuren en meende zij dat dit saldo ook verrekening met de transitievergoeding rechtvaardigde. Ten aanzien van de gestelde overuren betwist Infraway dat reistijd zonder meer loon opleverde en stelt zij dat de cao slechts onder voorwaarden recht geeft op vergoeding van extra reistijd.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt allereerst dat Infraway geen aanzegvergoeding verschuldigd is. Het WhatsAppbericht van 9 juli 2025 geldt als schriftelijke aanzegging en is tijdig verzonden en afgeleverd. Dat het bericht twee grijze vinkjes had en dat Infraway leesbewijzen had uitgeschakeld, doet daaraan niet af. Bovendien heeft werknemer dezelfde dag op het bericht gereageerd, waaruit volgt dat hij het heeft ontvangen en gelezen.
De transitievergoeding is wel verschuldigd. Omdat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd op initiatief van Infraway niet is voortgezet, heeft werknemer in beginsel recht op betaling daarvan. Het beroep van Infraway op verrekening met 159,5 gestelde minuren slaagt niet. De kantonrechter acht niet uitgesloten dat sprake is geweest van minuren, mede omdat werknemer heeft erkend dat hij meermaals te laat begon of eerder vertrok. Infraway heeft echter onvoldoende inzichtelijk, gestructureerd en concreet onderbouwd hoe het gestelde saldo van 159,5 minuren is berekend en wanneer die uren precies zouden zijn ontstaan. De gegrondheid van het verrekeningsverweer is daardoor niet eenvoudig vast te stellen. Infraway moet daarom de transitievergoeding van € 3.011,58 bruto betalen.
Ten aanzien van de reeds verrekende 32,67 minuren oordeelt de kantonrechter dat werknemer na het gesprek van 9 juli 2025 uitdrukkelijk met verrekening daarvan heeft ingestemd. Hij heeft onvoldoende aangevoerd om daarop terug te kunnen komen. Voor nabetaling van deze minuren bestaat daarom geen grond.
Over de gestelde overuren is nog geen eindbeslissing gegeven. De kantonrechter verwerpt het standpunt dat de door werknemer aangehaalde Europese rechtspraak op zichzelf recht geeft op loon voor reistijd. Of reistijd moet worden betaald, moet naar Nederlands recht en de cao worden beoordeeld. De kantonrechter leidt uit de cao en de omstandigheden af dat niet de volledige reistijd van huis naar de projectlocatie en terug als doorbetaalde werktijd geldt, maar dat per enkele reis maximaal een half uur woon-werkreistijd voor rekening van de werknemer blijft en de meerdere reistijd in beginsel voor vergoeding in aanmerking kan komen. Omdat werknemer zijn stelling dat nog 13 overuren openstaan onvoldoende helder heeft onderbouwd, krijgt hij gelegenheid bewijs te leveren van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat bij het einde van de arbeidsovereenkomst nog overuren resteerden, en zo ja hoeveel. De zaak wordt daarvoor aangehouden.
