Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 26 maart 2026
ECLI:NL:RBOBR:2026:2687
Feiten
X en A zijn in 1990 met elkaar in het huwelijk getreden. Bedrijf A is een persoonlijke holding van A). Inmiddels is het verzoek tot echtscheiding ingediend. Partijen hebben een schriftelijke overeenkomst ondertekend die in de kop wordt aangeduid als ‘arbeidsovereenkomst’. Met ingang van november 2025 heeft Bedrijf A geen betalingen meer verricht aan X. De kern van het geschil tussen partijen is de vraag of er sprake is van een arbeidsovereenkomst en zo ja, of die rechtsgeldig door Bedrijf A is beëindigd.
Oordeel
De kantonrechter stelt bij de beoordeling voorop dat onderhavige procedure – zoals tijdens de mondelinge behandeling gebleken – onderdeel is van een lopende echtscheidingsprocedure tussen X en A. In dat licht zal de kantonrechter de verzoeken van X dan ook beoordelen. Hoewel partijen de tussen hen gesloten schriftelijke overeenkomst een arbeidsovereenkomst hebben genoemd, is dit niet doorslaggevend. Beoordeeld moet worden of aan de hand van de tussen partijen overeengekomen rechten en verplichtingen aan de wettelijke elementen uit artikel 7:610 BW is voldaan.
Arbeid
Tussen partijen is niet in geschil dat X in enige vorm werkzaamheden heeft verricht voor Bedrijf A. De kantonrechter begrijpt dat X gedurende een zekere periode enige administratieve werkzaamheden voor Bedrijf A heeft verricht, alsook voor twee andere persoonlijke vennootschappen van A. Niet is komen vast te staan dat X die werkzaamheden verrichtte omdat zij hiertoe op grond van een overeenkomst verplicht was. Veeleer is aannemelijk dat zij dit deed uit hoofde van de affectieve relatie tussen haar en A, in het kader van een taakverdeling tussen echtelieden. Daarbij is van belang dat hoewel in artikel 6 van de overeenkomst is opgenomen dat de arbeidsduur 40 uur per week bedraagt X tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard gemiddeld ongeveer twee uur per maand werkzaam te zijn. Dat het de bedoeling van partijen is geweest dat X gedurende een zekere tijd arbeid zou verrichten uit hoofde van een arbeidsovereenkomst is niet komen vast te staan. Daarmee volgt naar het oordeel van de kantonrechter voldoende dat partijen geen verplichting tot het verrichten van arbeid zijn overeengekomen.
Loon
Niet in geschil is dat X jarenlang maandelijks een bedrag van Bedrijf A heeft ontvangen onder de noemer ‘salaris’ onder verstrekking van loonstroken. Dat maakt echter op zichzelf nog niet dat kan worden gesproken van loon in het kader van artikel 7:610 BW. Daarvan is sprake als de betaling kan worden aangemerkt als een tegenprestatie voor de bedongen arbeid. Dat de maandelijkse betaling dat karakter had, is onvoldoende gebleken. Daarbij acht de kantonrechter het volgende van belang. Bedrijf A heeft aangevoerd dat de arbeidsovereenkomst uitsluitend een fiscaal vehikel betrof, een fiscaal en financieel aantrekkelijke constructie van partijen om aan X maandelijks een bedrag uit te keren welk bedrag vervolgens weer terecht kwam in de ‘gezamenlijke pot’. De kantonrechter komt daarmee tot het oordeel dat de verrichtte betalingen niet kwalificeren als loon in de zin van artikel 7:610 BW.
Gezag
De kantonrechter stelt voorop dat een gezagsverhouding tussen levenspartners c.q. echtgenoten niet voor de hand ligt. In die omstandigheden mag van X verwacht worden dat zij haar stelling dat wel degelijk sprake is geweest van een gezagsverhouding voldoende onderbouwt. In het licht van de gemotiveerde betwisting door Bedrijf A heeft zij dat onvoldoende gedaan.
Conclusie
Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen partijen. Dit betekent dat de verzoeken van X worden afgewezen.
