Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 23 maart 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:2774
Feiten
Werknemer is per 5 maart 2018 in dienst getreden bij VMI Holland B.V. (hierna: ‘VMI’) in de functie van patentcoördinator, per 1 april 2022 op de afdeling IP. Volgens VMI is, nadat zij vanaf medio 2022 aanmerkingen had op het functioneren van werknemer, gaandeweg een verstoorde arbeidsrelatie ontstaan. In de zomer van 2023 was sprake van een vertrouwensbreuk tussen werknemer en zijn leidinggevende (hierna: ‘X’). VMI heeft vervolgens mediation voorgesteld. Op 23 augustus 2023 heeft werknemer 19 klachten ingediend bij de Compliance Officer van TKH Group N.V. (waarvan VMI onderdeel uitmaakt), die zich ook richten tegen X. TKH heeft de klachten van werknemer behandeld als een vermoeden van misstand in de zin van de Wet bescherming klokkenluiders en is een onderzoek begonnen. Uit het onderzoek volgde dat er geen vermoedens van misstanden zijn geconstateerd. Na afronding van het onderzoek wilde VMI het mediationtraject weer oppakken, maar X gaf aan daar niet toe in staat te zijn. Zij was lange tijd ten gevolge van de ontstane situatie arbeidsongeschikt geweest en was op dat moment aan het re-integreren. Op 20 december 2024 deelde VMI werknemer mee dat sprake is van een onoplosbare verstoorde arbeidsrelatie tussen hem en X en dat ze voor X kiest omdat zij de leidinggevende is die de samengevoegde afdeling IP die voor VMI van groot belang is, moet vormgeven. Omdat er volgens VMI voor werknemer geen herplaatsingsmogelijkheden zijn, zag VMI geen andere mogelijkheid dan te komen tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Om de weg voor X vrij te maken, werd werknemer op non-actief gesteld. Nadat de kantonrechter het ontbindingsverzoek van VMI op 8 juli 2025 heeft afgewezen, is werknemer op 22 juli 2025 weer gaan werken bij VMI. Voordien had VMI de afdeling IP op de hoogte gebracht van de terugkeer van werknemer. Als reactie hierop heeft VMI van een aantal collega’s uit het IP Team brieven ontvangen, waarin zij hun (ernstige) zorgen uitspraken over de terugkeer van werknemer en de gevolgen die dat zou hebben voor hun afdeling.
Oordeel
Het hof oordeelt als volgt. Werknemer stelt dat VMI niet heeft voldaan aan het herplaatsingsvereiste. Het ligt op de weg van VMI om onderbouwd te stellen dat zij heeft gedaan wat mogelijk was en wat in de rede lag om werknemer te herplaatsen op een passende functie, niet alleen binnen de afdeling IP, maar binnen haar gehele onderneming. Het hof oordeelt dat VMI dit onvoldoende heeft gedaan. VMI heeft in totaal drie lijsten met vacatures gestuurd naar werknemer zonder deze vacatures op passendheid voor te selecteren. VMI heeft dus geen vacatures voor specifiek passende functies aan werknemer voorgelegd waarop werknemer zich kan oriënteren. VMI verwachtte in dit verband van werknemer een grote mate van initiatief, terwijl dit initiatief van VMI als werkgever had moeten komen. VMI heeft ook niet laten zien dat zij in het herplaatsingsonderzoek een actieve houding heeft ingenomen. VMI heeft alleen naar voren gebracht dat werknemer niet geschikt zou zijn voor de door hem aangedragen functies/vacatures. In plaats van met hem vacatures door te nemen op basis van passendheid, heeft VMI voor hem de beslissing genomen dat deze functies niet passend zijn. Bovendien is niet komen vast te staan dat de arbeidsverhouding tussen werknemer en zijn collega’s van de afdeling IP ernstig en duurzaam is verstoord. VMI heeft voorafgaand aan de terugkeer van werknemer op de werkvloer negatieve verklaringen van collega’s van werknemer ontvangen. VMI heeft daar niets (kenbaar) mee gedaan, terwijl het op de weg van VMI als werkgever had gelegen om de terugkeer van werknemer]in goede banen te leiden door inspanningen te verrichten om tot normalisering van de verhoudingen tussen werknemer en zijn collega’s te komen. Uit het voorgaande volgt dat geen redelijke ontslaggrond aanwezig is. Het hoger beroep van VMI slaagt niet.
