Naar boven ↑

Rechtspraak

eisers/NRG Pallas B.V.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 28 april 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:4547
Kort geding. Doorbetaling loon en herstel pensioen- en verzekeringsregelingen na buitengerechtelijke vernietiging vaststellingsovereenkomst wegens wederzijdse dwaling.

Feiten

Eisers (hierna: gezamenlijk eisers en afzonderlijk werknemer en eiser 2) stellen een vordering in tegen NRG Pallas B.V. (hierna: NRG Pallas). Werknemer is op 1 januari 2014 als CEO bij de Stichting Voorbereiding Pallas-reactor (hierna: de Stichting Voorbereiding) in dienst getreden. Ook is hij benoemd tot (onbezoldigd) statutair bestuurder bij de Stichting Voorbereiding en de Stichting NRG. De Stichting Voorbereiding en de Stichting NRG zijn op 31 december 2023 gefuseerd in de Stichting NRG Pallas. De Stichting NRG Pallas is per 1 mei 2025 omgezet in de besloten vennootschap NRG Pallas. Het laatstverdiende salaris van werknemer is € 15.800 bruto per maand, exclusief vakantiegeld en een eindejaarsuitkering. Werknemer en NRG Pallas hebben op 9 mei 2025 een vaststellingsovereenkomst (VSO) gesloten, waarin is bepaald dat (i) de arbeidsovereenkomst op 1 januari 2026 zal eindigen, (ii) werknemer vanaf 1 mei 2025 niet langer statutair bestuurder is, (iii) hij tussen 1 mei en 1 september 2025 advieswerkzaamheden zal verrichten en (iv) NRG Pallas een beëindigingsvergoeding zal betalen van € 75.000 bruto. Op 9 juli 2025 is bij werknemer een ernstige ziekte vastgesteld. NRG Pallas heeft eind december 2025 aan haar pensioenadviseur gevraagd advies uit te brengen over de gevolgen van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Het advies luidt dat het ASR-pensioenreglement (ouderdomspensioen, partnerpensioen en Anw-hiaat pensioen) komt te vervallen als de arbeidsovereenkomst met een deelnemer eindigt voor het bereiken van de pensioengerechtelijke leeftijd. Hierop geldt als uitzondering dat deze verzekeringen met terugwerkende kracht herleven en premievrij worden voortgezet als een deelnemer tijdens het dienstverband ziek wordt en vervolgens (voor of na het dienstverband) recht krijgt op een WIA-uitkering. Per 1 januari 2026 is de pensioenverzekering bij ASR van rechtswege overgegaan naar de verplicht gestelde pensioenregeling bij ABP. Werknemer heeft op 24 december 2025 de vernietiging van de VSO ingeroepen op grond van wederzijdse dwaling en vordert doorbetaling van loon vanaf 1 januari 2026 en herstel van de pensioen- en verzekeringsregeling(en). NRG Pallas voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van eisers.

Oordeel

Naar het oordeel van de kantonrechter is er een spoedeisend belang, omdat er sprake is van een inkomensachteruitgang en het ontbreken van een vangnet in de pensioenregelingen. De vordering van eiser 2 wordt afgewezen omdat hij geen partij is bij de arbeidsovereenkomst en de pensioen- en verzekeringsregelingen. De kantonrechter komt tot het oordeel dat voldoende aannemelijk is dat de rechter in een bodemprocedure zal oordelen dat de VSO tot stand is gekomen onder invloed van wederzijdse dwaling en daarom terecht buitengerechtelijk is vernietigd. De kantonrechter verwijst naar de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam, ECLI:NL:GHAMS:2020:1832. Die uitspraak gaat om een situatie die in grote mate overeenkomsten heeft met deze zaak. In deze uitspraak is geoordeeld dat het beroep op wederzijdse dwaling slaagt. Een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, is onder andere vernietigbaar als sprake is van wederzijdse dwaling, tenzij de wederpartij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had hoeven te begrijpen dat de dwalende daardoor van het sluiten van de overeenkomst zou worden afgehouden. Partijen zijn bij het aangaan van de VSO ervan uitgegaan dat werknemer gezond en arbeidsgeschikt was. Twee maanden later is bij werknemer een ernstige ziekte vastgesteld en gelet op de aard daarvan moet worden aangenomen dat die ziekte al bestond op het moment dat partijen de VSO sloten. Partijen hebben dus wederzijds gedwaald, in die zin dat zij beide bij het aangaan van de vaststellingsovereenkomst zijn uitgegaan van een onjuiste veronderstelling. Partijen zijn het erover eens dat als de arbeidsovereenkomst daadwerkelijk door de VSO is geëindigd, dit meebrengt dat er geen dekking is voor het partnerpensioen en Anw-hiaatpensioen tussen de datum waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd en de datum waarop werknemer een (vervroegde) WIA-uitkering ontvangt. Partijen zijn het niet eens over de vraag wat er zou zijn gebeurd als van een juiste voorstelling van zaken was uitgegaan. NRG Pallas stelt dat de VSO ook zou zijn gesloten bij een juiste voorstelling van zaken, omdat het alternatief was dat de arbeidsovereenkomst dan via een andere weg zou zijn beëindigd en dit voor werknemer tot een nadeliger uitkomst zou hebben geleid. Die stelling wordt door de kantonrechter niet gevolgd. Ook is niet waarschijnlijk dat werknemer had ingestemd met de VSO als partijen op de hoogte waren geweest van zijn ziekte. De gevorderde loondoorbetaling wordt toegewezen, waarbij is bepaald dat NRG Pallas het loon mag verrekenen met de beëindigingsvergoeding van € 75.000 bruto. De overige vorderingen komen erop neer dat wordt gevraagd dat NRG Pallas werknemer moet aanmelden bij ASR, Nationale Nederlanden en/of ABP, met de mededeling dat het dienstverband is hersteld. Deze vorderingen zijn niet toewijsbaar, omdat in kort geding alleen een voorlopig oordeel kan worden gegeven over de rechtsverhouding tussen partijen en geen definitieve uitspraak kan worden gedaan.