Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgeefster/werkneemster
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Bergen op Zoom), 8 april 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:2734
De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden vanwege verwijtbaar handelen of nalaten van werkneemster. Zij had niet mogen weigeren toen zij werd opgeroepen voor werk. De door werkneemster gestelde vrijstelling van werk is niet aannemelijk geworden.

Feiten

Werkneemster is per 1 september 2013 in dienst getreden bij werkgeefster in de functie van secretarieel medewerkster. Werkneemster is gehuwd geweest met een indirect aandeelhouder van werkgeefster. In 2023 heeft werkgeefster een ontbindingsverzoek ingediend, dat is afgewezen. In januari 2024 is werkneemster opgeroepen voor een werkbespreking. Werkneemster is niet verschenen. Werkneemster heeft aangevoerd dat in de eerdere beschikking van de kantonrechter niet te lezen viel dat zij werkzaamheden diende te verrichten en dat zij was vrijgesteld. Werkgeefster heeft aangegeven dat zij dit als werkweigering zag, en heeft de loondoorbetaling gestaakt. Een gedeelte van de loonvorderingen van werkneemster die zij vervolgens heeft ingesteld, heeft de kantonrechter op 1 mei 2025 toegewezen. Werkgeefster verzoekt een verklaring voor recht dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen partijen, en verzoekt subsidiair ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Werkneemster betwist het verwijtbaar handelen of nalaten. Zij stelt dat bij het sluiten van het echtscheidingsconvenant met de aandeelhouder, haar ex-partner, de afspraak is gemaakt dat zij is vrijgesteld van werk. Het loon is verkapte partneralimentatie. Dit is opgetuigd vanwege fiscale redenen, aldus werkneemster. Daarnaast stelt zij dat er sprake is van rechtsverwerking. Werkneemster heeft in september 2013 drie weken 16 uur gewerkt voor werkgeefster, daarna niet meer. Zij mocht erop vertrouwen dat werkgeefster niet langer wilde dat zij nog kwam werken.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. In de eerdere beschikking is reeds geoordeeld dat partijen een arbeidsovereenkomst hebben gesloten. Geen van partijen heeft rechtsmiddelen aangewend tegen die beschikking. De beschikking is in kracht van gewijsde gegaan. Het heeft in deze procedure gezag van gewijsde. Dat wil zeggen dat wat in de beschikking is bepaald, bindend is tussen partijen en onaantastbaar. Het oordeel van de kantonrechter in de eerdere beschikking dat een arbeidsovereenkomst is gesloten, geldt dus ook in deze procedure. De gevorderde verklaring dat er een sprake is van een arbeidsovereenkomst, wordt daarom afgewezen. De door werkneemster gestelde vrijstelling van werk blijkt niet uit het convenant. Integendeel, daarin staat juist dat werkneemster gaat werken. Werkneemster heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat zij niet hoefde te werken. De omstandigheid dat werkgeefster haar na de werkzaamheden in september 2013 pas weer in januari 2024 heeft opgeroepen voor een werkoverleg, maakt op zichzelf nog niet dat er een vrijstelling voor het werk was. Gelet op de moeizame relatie tussen werkneemster en de aandeelhouder, die blijkt uit de diverse procedures die zij tegen elkaar voeren en hebben gevoerd, was het begrijpelijk dat werkgeefster er eerder voor koos werkneemster niet op te roepen om te werken. Werkneemster wordt niet gevolgd in haar stelling dat zij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat zij niet hoefde te werken. Evenmin zijn bijkomende omstandigheden gebleken waaruit volgt dat werkneemster onredelijk nadeel heeft ondervonden omdat werkgeefster alsnog aanspraak maakte op de uitvoering van arbeid in plaats van op een eerder moment. Het beroep op rechtsverwerking van werkneemster faalt. De werkweigering levert verwijtbaar handelen of nalaten van werkneemster op. Daarmee is er een redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Er geldt gelet op het handelen van werkneemster geen opzegtermijn; evenmin worden een transitievergoeding of billijke vergoeding toegekend. Werkneemster wordt in de proceskosten veroordeeld.