Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Enraf-Nonius B.V.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 14 april 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:535
CFO die een in 2015 opgesteld contract voor ziekenhuisproject in Sri Lanka, met rond € 11 miljoen aan commissies, als overeenkomst uit 2011 presenteerde aan Belastingdienst en koper van het bedrijf, terecht op staande voet ontslagen.

Feiten

Werknemer was sinds 1998 in dienst bij Enraf-Nonius en vervulde sinds 2004 de functie van CFO en statutair bestuurder. Na de verkoop van Enraf-Nonius aan Zimmer in 2021 deed de FIOD in september 2024 invallen bij Enraf-Nonius en bij werknemer thuis wegens verdenkingen rond onder meer corruptie, valsheid in geschrifte en onjuiste belastingaangiften in verband met een ziekenhuisproject in Sri Lanka. Enraf-Nonius ontsloeg werknemer op 19 februari 2025 op staande voet. Zij verweet hem dat hij in 2015 betrokken was geweest bij het opstellen of aanpassen van een overeenkomst met Delmege Forsyth & Co Ltd, waarbij de indruk werd gewekt dat deze al in 2011 was gesloten. Dat contract was via Deloitte aan de Belastingdienst verstrekt bij vragen over de fiscale aftrekbaarheid van ruim € 11 miljoen aan commissies. Ook had werknemer het contract in 2024 aan Zimmer gestuurd met de mededeling dat het in 2011 was ondertekend. Enraf-Nonius verzocht in eerste aanleg onder meer om betaling van de gefixeerde schadevergoeding. Werknemer berustte uiteindelijk in het einde van de arbeidsovereenkomst, maar stelde dat het ontslag op staande voet ongeldig was en vorderde onder meer een billijke vergoeding, transitievergoeding en gefixeerde schadevergoeding. De kantonrechter wees zijn verzoeken af en de verzoeken van Enraf-Nonius toe. In hoger beroep voerde werknemer aan dat hij het contract slechts had aangepast om volgens hem in 2011 gemaakte afspraken vast te leggen, dat hij de onjuiste datum niet had gezien en dat er geen sprake was van een dringende reden of onverwijld ontslag.

Oordeel

Het hof oordeelt dat de ontslaggronden feitelijk juist zijn. Het verwijt aan werknemer ging niet alleen over het doorsturen van een geantedateerd contract, maar ook over zijn betrokkenheid bij aanpassingen waardoor het contract leek te dateren uit 2011. Juist gelet op zijn positie als CFO en registeraccountant had hij expliciet moeten duidelijk maken dat het document pas in 2015 was opgesteld ter vastlegging van volgens hem eerdere afspraken. Door dat niet te doen heeft hij tegenover Deloitte, de Belastingdienst en later Zimmer de onjuiste suggestie gewekt dat het Delmege-contract uit 2011 stamde. Volgens het hof levert dit een dringende reden op. Werknemer heeft aanzienlijke risico’s voor Enraf-Nonius genomen, waaronder fiscale naheffingen, boetes en reputatieschade. Dat de FIOD-zaak nog liep en dat werknemer lang en goed had gefunctioneerd, maakt dat niet anders. Ook het beroep op het ontbreken van onverwijldheid faalt, omdat onvoldoende is onderbouwd dat Enraf-Nonius al eerder dan medio februari 2025 bekend was met de concrete ontslaggronden. Het hof bekrachtigt daarom dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven en dat werknemer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Hij heeft geen recht op een billijke vergoeding, transitievergoeding of gefixeerde schadevergoeding. De door Enraf-Nonius gevorderde gefixeerde schadevergoeding blijft in stand.