Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Groningen), 10 februari 2026
ECLI:NL:RBNNE:2026:1316
Feiten
Werknemer is per 23 augustus 2021 in dienst getreden bij Elektro Retail Group B.V. (hierna: Elektro). In augustus 2025 heeft werknemer zich ziekgemeld. In september 2025 heeft Elektro werknemer bericht dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst door werknemer verwerkt was, waarbij hij verzocht is zijn sleutels in te leveren. Dat heeft werknemer gedaan. Werknemer heeft in oktober 2025 betwist zijn arbeidsovereenkomst te hebben opgezegd. Hij heeft Elektro gesommeerd achterstallig salaris te betalen en een bedrijfsarts in te schakelen. Werknemer verzoekt, onder meer, vernietiging van de opzegging per 30 september 2025.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Cruciaal voor de uitkomst van deze zaak is de inhoud van het gesprek dat partijen hebben gevoerd op 29 augustus 2025. Volgens Elektro heeft werknemer tijdens dat gesprek zijn arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 30 september 2025, terwijl werknemer zich op het standpunt stelt dat hij zijn arbeidsovereenkomst niet heeft opgezegd. Naar het oordeel van de kantonrechter is er in het onderhavige geval sprake van omstandigheden die maken dat bedoelde onderzoeksplicht op Elektro rust, al was het maar omdat werknemer zich voorafgaand aan het gesprek op 29 augustus 2025 op 26 augustus 2025 ziek heeft gemeld en gesteld noch gebleken is dat Elektro iets met deze ziekmelding heeft gedaan. De kantonrechter zal daarom de vraag in het midden laten of werknemer de arbeidsovereenkomst op 29 augustus 2025 heeft opgezegd. Want als hij dat zou hebben gedaan, is het de vraag of Elektro mocht aannemen dat werknemer de mogelijke consequenties van zijn beslissing voor zijn rechtspositie overzag (onderzoeks- en informatieplicht). Naar het oordeel van de kantonrechter is dat niet het geval. Dat Elektro zich er in het gesprek van 29 augustus 2025 van heeft vergewist dat werknemer zich bewust was van de consequenties van een opzegging van zijn arbeidsovereenkomst, is namelijk niet komen vast te staan. Gesteld noch gebleken is dat werknemer is gewezen op die consequenties (bijvoorbeeld het verlies van het recht op een uitkering). Dit blijkt ook geenszins uit de getuigenverklaringen die Elektro heeft overgelegd.
Toewijsbaar is de subsidiair gevraagde verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst niet op 30 september 2025 is geëindigd door de opzegging door werknemr. De loonvordering wordt toegewezen. Het eerste lid van artikel 7:629a BW geldt ingevolge het tweede lid van dat artikel echter niet indien de arbeidsongeschiktheid van de werknemer niet wordt betwist door de werkgever. Bij aanvang van de onderhavige procedure werd de arbeidsongeschiktheid van werknemer niet betwist door Elektro. Artikel 7:629a lid 1 BW mist in deze zaak derhalve toepassing en staat aan toewijzing van de loonvordering niet in de weg. De wettelijke verhoging wordt gematigd tot 20%. Ook het verweer dat de loonvordering voorwaardelijk, namelijk pas nadat een bedrijfsarts heeft geconstateerd dat werknemer arbeidsongeschikt is wegens ziekte, moet worden toegewezen, zal de kantonrechter passeren. Toewijzing van een loonvordering onder dit voorbehoud ontbeert naar het oordeel van de kantonrechter een wettelijke basis. De buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen. Elektro wordt in de proceskosten veroordeeld.
