Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 10 april 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:3639
Feiten
Na een openbare aanbesteding verkreeg Noot Touringcar Ede B.V. per 1 november 2025 een concessie voor taxivervoer van en naar Schiphol, waarna zij de uitvoering uitbesteedde aan groepsmaatschappij STN. STN Fleet beheerde het wagenpark. X exploiteert sinds 2009 de eenmanszaak Taxi Mijdrecht, staat ingeschreven bij de KvK en het KIWA-register en presenteert zich ook naar buiten toe als zelfstandig ondernemer, onder meer via een website en sociale media. Op 27 oktober 2025 sloten STN, STN Fleet en X een samenwerkingsovereenkomst voor de duur van één jaar. Daarin werd Taxi Mijdrecht aangeduid als ‘ondernemer’ en was bepaald dat X als zelfstandig ondernemer taxiritten van en naar Schiphol kon verrichten via door STN aangeboden tijdsloten. Hij had geen recht op een minimumaantal ritten of omzet, mocht zich laten vervangen door een gekwalificeerde vervanger en betaalde voor gebruik van voertuig en faciliteiten een vaste vergoeding per tijdslot, naast een commissie over de ritprijs. De overeenkomst vermeldde uitdrukkelijk dat zij als overeenkomst van opdracht was bedoeld. Voor het verrichten van de ritten gold het door Schiphol vastgestelde Programma van Eisen. STN had gekozen voor een specifiek type BMW. X mocht die auto zelf aanschaffen, leasen of per tijdslot huren van STN Fleet. In de praktijk huurde hij steeds van STN Fleet. Op 20 november 2025 werkte X een tijdslot en bleek dat hij de dashcam in de gehuurde BMW met kauwgom had afgeplakt en daarna de rest van het tijdslot zo had doorgereden. Nog diezelfde dag deelde STN telefonisch mee dat de samenwerkingsovereenkomst zou worden opgezegd, hetgeen per e-mail werd bevestigd. Volgens STN was het onklaar maken van de dashcam een ernstige overtreding, mede omdat de dashcam relevant was voor veiligheid en verzekering. X maakte daartegen bezwaar en voerde aan dat hij door de dashcam werd afgeleid en dat een passagier zich er ongemakkelijk door voelde. Hij stelde dat hij slechts had geprobeerd de klant gerust te stellen. X verzoekt onder meer een verklaring voor recht dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt eerst dat X niet-ontvankelijk is jegens STN Fleet, omdat STN Fleet slechts betrokken was bij de verhuur van de taxi en niet bij de uitvoering van het vervoer als werkgever of opdrachtgever in arbeidsrechtelijke zin. Vervolgens toetst de rechter of de samenwerkingsovereenkomst kwalificeert als arbeidsovereenkomst. Daarbij weegt de rechter alle omstandigheden van het geval. Enerzijds waren de werkzaamheden ingebed in de organisatie van STN, was de overeenkomst feitelijk een standaardregeling zonder echte onderhandelingsruimte en bepaalde STN in belangrijke mate de beloningsstructuur en randvoorwaarden. Anderzijds acht de rechter van groot gewicht dat X zelf kon bepalen of en wanneer hij tijdsloten aannam, zich mocht laten vervangen, geen aanspraak had op werk of omzet, naar buiten trad als ondernemer, al jarenlang een eigen taxibedrijf exploiteerde en ook voor andere opdrachtgevers reed of kon rijden. Juist dit ondernemerschap in het economisch verkeer maakt volgens de kantonrechter dat de verhouding niet als arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt. De rechter oordeelt dat STN de samenwerkingsovereenkomst per direct mocht beëindigen, omdat X de dashcam bewust had afgeplakt en daarmee in strijd handelde met zijn contractuele verplichtingen. Zijn verklaring daarvoor acht de rechter niet overtuigend. Het afplakken van de dashcam leverde een evidente schending van de overeenkomst op, zodat onmiddellijke beëindiging was toegestaan. X wordt daarom in het ongelijk gesteld.
