Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 12 maart 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:6398
Feiten
Werkneemster is op 3 juli 2006 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij de ambassade van Oman te Den Haag. In de eerste arbeidsovereenkomst was een contractuele afvloeiingsregeling opgenomen van een half maandsalaris per jaar voor de eerste vijf jaren en daarna een maand per jaar tot een maximum van achttien maandsalarissen. In november 2007 wordt vanwege een nieuwe beloningsstructuur een nieuwe arbeidsovereenkomst opgesteld en worden de bestaande rechten inclusief de afvloeiingsregeling 'uitbetaald' in de vorm van vakantiedagen. De nieuwe arbeidsovereenkomst kent geen afvloeiingsregeling, maar wel het recht op een dertiendemaandsalaris. Op 1 juni 2009 hebben partijen wederom een nieuwe arbeidsovereenkomst gesloten. Deze arbeidsovereenkomst bevat geen contractuele beëindigingsvergoeding en geen recht op een dertiendemaandsalaris. In 2015 en 2021 hebben werknemers, onder wie werkneemster, een officiële klacht ingediend over de onduidelijke arbeidsvoorwaarden en verbetering gevraagd. In september 2025 heeft werkneemster zich ziek gemeld waarna in oktober de arbeidsovereenkomst door de ambassadeur is opgezegd tegen 30 november 2025. Werkneemster vordert onder meer een billijke vergoeding en onregelmatige-opzeggingsvergoeding, alsmede nakoming van de afvloeiingsvergoeding uit de eerste arbeidsovereenkomst. De ambassade beroept zich op staatsimmuniteit.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt.
Geen sprake van staatsimmuniteit
Op grond van artikel 13a van de Wet algemene bepalingen wordt de rechtsmacht van de Nederlandse rechter beperkt door in het volkenrecht erkende uitzonderingen. In artikel 11 lid 1 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake immuniteit van rechtsmacht van staten en hun eigendommen (hierna: het VN-Verdrag) is bepaald dat een staat geen beroep kan doen op immuniteit van rechtsmacht ter zake van een geding dat betrekking heeft op een arbeidsovereenkomst tussen de staat en een natuurlijke persoon voor werkzaamheden die geheel of gedeeltelijk zijn verricht of dienen te worden verricht op het grondgebied van de andere staat. Op grond van lid 2 sub a van het artikel geldt hierop een uitzondering indien de werknemer is aangesteld voor het vervullen van bepaalde functies in de uitoefening van bevoegdheden van de overheid. Hoewel dit VN-Verdrag niet door Nederland is geratificeerd, wordt in de jurisprudentie aangenomen dat artikel 11 lid 2 aanhef en sub a moet worden aangemerkt als een regel van internationaal gewoonterecht. De Nederlandse rechter is daarom aan die regel gebonden. Om te bepalen of een werknemer is aangesteld voor het vervullen van bepaalde functies in de uitoefening van bevoegdheden van de overheid, moet gekeken worden naar de aard van de werkzaamheden. In Duitse rechtspraak van het Bundesarbeitsgericht is overwogen dat daarbij met name van belang is of de opgedragen taken in een functioneel verband staan met de diplomatieke of consulaire werkzaamheden van de vreemde staat en of om die reden de organisatievrijheid van de vreemde staat in het uitoefenen van zijn soevereine taken zou worden beperkt door een uitspraak van de rechter over de arbeidsverhouding. Daarnaast kan de hiërarchische positie van de werknemer van belang zijn, waarbij geldt dat eerder immuniteit moet worden aangenomen ten aanzien van een werknemer met een leidinggevende en/of beleidsbepalende functie dan ten aanzien van een werknemer die louter ondersteunende werkzaamheden verricht. De kantonrechter is van oordeel dat de ambassade van Oman, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door werkneemster, onvoldoende heeft onderbouwd dat de werkzaamheden die werkneemster voor de consulaire afdeling vervulde van zodanige aard zijn dat organisatievrijheid van de ambassade van Oman in de uitoefening van haar consulaire taak zou worden beperkt door een uitspraak van de Nederlandse rechter over de arbeidsverhouding.
Billijke vergoeding: € 59.160,97
De kantonrechter overweegt dat de ambassade in de opzeggingsbrief aan werkneemster heeft laten weten dat de arbeidsovereenkomst wordt opgezegd vanwege het (vermeend) overbodig worden van de functie van werkneemster. De ambassade heeft echter niet weersproken dat in ieder geval het werk dat werkneemster voor de economische afdeling van de ambassade verrichtte nog steeds bestaat. Het is daarom niet gebleken (en ook niet gesteld) dat de ambassade toestemming had kunnen krijgen van het UWV voor een opzegging op bedrijfseconomische gronden. Ook staat vast dat de ambassade de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd kort na een ziekmelding en tijdens de arbeidsongeschiktheid van werkneemster. Dat de ambassade de arbeidsovereenkomst van werkneemster na een dienstverband van meer dan negentien jaren op oneigenlijke gronden heeft opgezegd gedurende arbeidsongeschiktheid, acht de kantonrechter zeer ernstig verwijtbaar.
Geen afstand gedaan van contractuele ontslagvergoeding
Werkneemster verzoekt ook betaling van de beëindigingsvergoeding uit artikel 9 van de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst van 3 juli 2006. Zij stelt dat partijen weliswaar in 2007 en 2009 nieuwe arbeidsovereenkomsten zijn aangegaan, maar dat zij met het sluiten van die nieuwe overeenkomsten geen afstand heeft gedaan van haar recht op de beëindigingsvergoeding zoals aanvankelijk overeengekomen. Uit een en ander volgt dat de door de ambassade aangevoerde uitleg van de wijziging – namelijk dat de bovenwettelijke beëindigingsvergoeding is vervangen door een eenmalig (in 2008) ontvangen dertiendemaandsalaris en vervolgens door uitbetaling van de wettelijke vakantietoeslag – wel degelijk een verslechtering van de financiële positie van werkneemster inhoudt: het recht op een bovenwettelijke beëindigingsvergoeding is immers verdwenen zonder dat daar iets voor de plaats is gekomen. Het ligt daarom niet voor de hand dat werkneemster met het ondertekenen van de arbeidsovereenkomsten van 2007 en 2009, als zij zich die verslechtering had gerealiseerd, daarmee akkoord zou zijn gegaan. Het is ook niet gesteld of gebleken dat de ambassade werkneemster bij het tekenen van die overeenkomsten op deze verslechtering heeft gewezen. De kantonrechter is op grond van het voorgaande van oordeel dat niet is komen vast te staan dat werkneemster met het ondertekenen van de nieuwe arbeidsovereenkomsten van 2007 en 2009 afstand heeft gedaan van haar recht op uitkering van een beëindigingsvergoeding. De beëindigingsvergoeding zoals overeengekomen in artikel 9 van de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst is daarom deel uit blijven maken van de tussen partijen geldende arbeidsvoorwaarden. Het verzoek tot betaling van die vergoeding is daarom in beginsel toewijsbaar. Een beëindigingsvergoeding gelijk aan 15,5 maal het laatstgenoten brutomaandsalaris wordt daarom toegewezen. Dat is een bedrag van € 70.755,80 bruto.
