Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 24 maart 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:357
Feiten
Mevrouw X heeft vanaf 15 september 2024 voor de Stichting Het Andere Bulgarije (hierna: de school) werkzaamheden uitgevoerd op het gebied van onderwijs voor kinderen. De school heeft aan X een document verstrekt met het opschrift ‘vrijwilligersovereenkomst’. Op 27 oktober 2024 heeft X van de school zes betalingen ontvangen van € 210, met als omschrijving ‘bezoldiging’. Op 7 december 2024 heeft X aan de ouders van de kinderen van de school laten weten dat zij geen lessen meer zou geven. Op 8 december 2024 heeft zij afscheid van de kinderen genomen. Bij e-mail van 13 december 2024 heeft de school aan X laten weten dat haar ‘arbeidsovereenkomst’ per direct wordt beëindigd vanwege ‘ernstige schendingen van de arbeidsdiscipline en de beroepsethiek’ door X. Bij e-mail van 18 december 2024 heeft de school aan X medegedeeld dat zij op staande voet is ontslagen. Bij ‘kennisgeving’ van 20 december 2024 is X door de school geïnformeerd dat haar vrijwilligerscontract, dat afloopt op 31 december 2024, niet verlengd zal worden. Partijen twisten over de vraag of er sprake is van een arbeidsovereenkomst of een vrijwilligersovereenkomst. De kantonrechter is van oordeel dat X er niet in is geslaagd aan te tonen dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst heeft bestaan. In hoger beroep verzoekt X de beschikking van de kantonrechter te vernietigen en haar aanspraken op een gefixeerde schadevergoeding, een transitievergoeding, een immateriële schadevergoeding en achterstallig salaris toe te kennen.
Oordeel
Er is sprake van een arbeidsovereenkomst
Het hof past de Haviltex-maatstaf toe: welke rechten en verplichtingen zijn partijen overeengekomen? X heeft zich beroepen op de door partijen op 13 oktober 2024 ondertekende overeenkomsten. Deze overeenkomsten zijn aan te merken als akten en leveren tussen partijen dwingend bewijs op. Dit betekent dat het hof voorshands voor waar aanneemt dat X zich in twee verschillende overeenkomsten gebonden heeft om, op basis van een arbeidsovereenkomst in het schooljaar 2024/2025 als lerares door de school toegewezen taken en leeractiviteiten uit te voeren, gedurende 5 lesuren per dag (in totaal 330 lesuur) tegen een tarief van € 15,01 per uur. Uit de overeenkomsten blijkt dat er geen sprake is van vrijwilligerswerk, maar van werkzaamheden tegen een overeengekomen tarief van € 15,01 per uur. Anders dan de school meent, is de betaalde vergoeding in redelijkheid ook niet aan te merken als een vrijwilligersvergoeding. De overeengekomen vergoeding is immers substantieel hoger dan de door de Belastingdienst vrijgestelde vergoeding voor vrijwilligers van (in 2024). Als er geen sprake is van vrijwilligerswerk, maar van arbeid tegen beloning, blijft vervolgens de vraag hoe de overeenkomsten tussen partijen dan wel zijn te duiden, als arbeidsovereenkomsten of anderszins (overeenkomst van opdracht). Nu vaststaat dat geen van de partijen de overeenkomst heeft aangeduid als overeenkomst van opdracht, niets erop wijst dat X zich in het economisch verkeer gedraagt of heeft gedragen als onderneemster, er verder duidelijk sprake is van een instructierecht van de school en de werkzaamheden van X een wezenlijk onderdeel vormen van de weekendschool die werkt volgens de regels van het Bulgaarse ministerie van onderwijs, is er ook sprake van een gezagsverhouding. De school ging overigens zelf ook uit van een arbeidsovereenkomst, blijkens het gegeven ontslag op staande voet.
Ontslagname of rechtsgeldig ontslag op staande voet?
Het hof is van oordeel dat er geen sprake is van een ondubbelzinnige ontslagname door X. X stelt dat zij haar werkzaamheden slechts heeft willen opschorten totdat zij correct zou zijn betaald. Dat de school de uitlatingen van X wel als een ondubbelzinnige ontslagname heeft opgevat, is verder ook niet aannemelijk geworden: als dit het geval zou zijn, zou het ontslag op staande voet naar het oordeel van het hof ook niet nodig zijn geweest. Vervolgens is het hof van oordeel dat er geen sprake is van een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet. Het staken van de lessen was het gevolg van het uitblijven van de betaling. De school heeft het vermeende publiekelijk in diskrediet brengen van de school onvoldoende onderbouwd. Ook heeft de school het verwijt van niet-professioneel gedrag van X niet concreet onderbouwd. Ten aanzien van de reden dat X haar verplichtingen voor het organiseren van een scenario voor het kerstfeest heeft geschonden, kan hof niet vaststellen op welke wijze X deze verplichtingen heeft geschonden. Het hof oordeelt tevens dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven. X maakt aanspraak op een (gematigde) gefixeerde schadevergoeding en een transitievergoeding. Het verzoek tot immateriële schadevergoeding wordt afgewezen. Ten aanzien van de billijke schadevergoeding overweegt het hof dat het verleende ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, wat betekent dat de Stichting ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Met name de korte duur van het dienstverband, het recht op gefixeerde schadevergoeding en de transitievergoeding, zijn voor het hof aanleiding de billijke vergoeding te bepalen op nihil.
