Rechtspraak
Feiten
Op 1 september 2007 is werknemer bij werkgeefster in dienst getreden. In de periode vanaf maart tot en met mei 2021 heeft werknemer in totaal om en nabij € 18.000 verstrekt aan een collega (hierna: ‘collega’). Werknemer heeft op enig moment aan collega laten weten dat hij het geld terug wilde. Omdat collega het geld niet meer had, heeft zij contact opgenomen met haar leidinggevende. Er heeft vervolgens een gesprek plaatsgevonden, in het bijzijn van HR. Werknemer is vanaf 5 juni 2021 arbeidsongeschikt. Bij brief van 10 juni 2021 heeft werkgeefster naar aanleiding van de gevoerde gesprekken aan werknemer o.a. medegedeeld dat zij meent geen betrokkenheid te hebben bij de financiële afspraak tussen werknemer en collega. Op advies van de bedrijfsarts zijn partijen een mediationtraject aangegaan, dat in september 2021 in goede harmonie is geëindigd. Op 11 oktober 2021 is werknemer gestart met zijn re-integratie. Op enig moment is werknemer opnieuw volledig arbeidsongeschikt uitgevallen. Op 9 december 2021 is werknemer vervolgens weer gestart met zijn re-integratie. Op 21 december 2021 heeft werknemer zich opnieuw volledig ziek gemeld. Op 8 januari 2022 is werknemer gestart met re-integreren. Vervolgens is werknemer op 9 januari 2022 tijdens de uitvoering zijn werkzaamheden bij werkgeefster van de trap, die toegang verschaft tot zijn werkplek, gevallen. Na de val van de trap is de re-integratie van werknemer beëindigd. Werknemer is volledig arbeidsongeschikt gebleven. Op 3 maart 2022 heeft werknemer werkgeefster aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden en te lijden schade als gevolg van de val van de trap. Werkgeefster heeft de aansprakelijkheid van de hand gewezen. Met ingang van 3 juni 2023 is aan werknemer een WIA-uitkering toegekend. Werknemer en werkgeefster hebben op 2 oktober 2023 een overeenkomst tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst gesloten, waarin een finalekwijtingbeding staat. Op 15 december 2023 heeft werknemer een verzoekschrift tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ingediend, hetgeen is afgewezen. Werknemer is daartegen in hoger beroep gekomen. Het hof heeft de beschikking bekrachtigd. Werknemer vordert in onderhavige procedure een verklaring voor recht dat werkgeefster op grond van artikel 7:658 BW dan wel artikel 7:611 BW aansprakelijk is.
Oordeel
In deze zaak spelen twee kwesties. De eerste kwestie ziet op de vraag of werkgeefster aansprakelijk is voor de door werknemer geleden schade als gevolg van de val van de trap. De tweede kwestie ziet op de vraag hoe het tussen partijen overeengekomen kwijtingsbeding dient te worden uitgelegd; heeft dit ook betrekking op het handelen van werkgeefster jegens werknemer aangaande de gebeurtenis met collega, of niet?
Val van trap
Dat werknemer schade heeft geleden tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden, staat niet ter discussie. Werknemer meent echter dat werkgeefster niet aan haar zorgplicht heeft voldaan. Volgens werknemer wist werkgeefster dat hij last had van duizeligheidsklachten en wazig zien, reden waarom zij hem überhaupt niet had mogen blootstellen aan het risico dat hij van de trap zou vallen. De kantonrechter oordeelt dat, ook als hij veronderstellenderwijs aanneemt dat werknemer als gevolg van duizeligheid en wazig zien van de trap is gevallen, een en ander niet het oordeel kan dragen dat werkgeefster de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden. In de gegeven omstandigheden was er geen sprake van een situatie waarin redelijkerwijs van werkgeefster mocht worden verwacht dat zij een werkplek voor werknemer op de begane grond zou regelen. Werknemer heeft daar niet om verzocht en ook uit de rapporten en adviezen van de bedrijfsarts volgt niet dat werkgeefster had moeten begrijpen dat zij moest voorzien in een werkplek op de begane grond. Bovendien komt duizeligheid in velerlei verschijningsvormen voor. Daarom kan niet worden gezegd dat een werkgever te allen tijde dan wel in alle gevallen erop bedacht moet zijn dat hierdoor een groter risico op valgevaar bestaat en dat dus veiligheidsmaatregelen moeten worden getroffen inhoudend dat de werkgever moet voorkomen dat de werknemer moet traplopen.
Finalekwijtingbeding
Bij de beoordeling neemt de kantonrechter tot uitgangspunt dat beide partijen voorafgaand aan en bij de totstandkoming van de beëindigingsovereenkomst rechtsbijstand hadden. Tijdens de mondelinge behandeling is vast komen te staan dat de onderhandelingen telefonisch zijn gevoerd buiten aanwezigheid van partijen zelf. Verder geldt dat tussen partijen niet in geschil is dat de kwestie rondom collega en de wijze waarop werkgeefster daarmee om is gegaan niet expliciet onderwerp van gesprek was tijdens de onderhandelingen. Wel heeft de toenmalige advocaat van werknemer tijdens de onderhandelingen aan de orde gesteld dat werkgeefster een hogere beëindigingsvergoeding dan de transitievergoeding moest betalen, “omdat werknemer ziek was geworden door alles wat er op het werk was gebeurd”. De overeengekomen beëindigingsvergoeding was uiteindelijk € 3.000 à € 4.000 hoger. Er zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen op basis waarvan kan worden aangenomen dat dit laatste niet (ook) ziet op de kwestie met de collega. Afgezien daarvan geldt dat het feit dat de kwestie met de collega niet expliciet is besproken, in de gegeven omstandigheden betekent dat werkgeefster er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat werknemer instemde met het finalekwijtingsbeding waarin ten aanzien van de kwestie rondom de collega geen uitzondering is gemaakt. In de gegeven omstandigheden kon en mocht werkgeefster redelijkerwijs erop vertrouwen dat werknemer met het finale kwijtingsbeding bereid was afstand te doen van alle mogelijke vorderingen verband houdend met zijn arbeidsovereenkomst en de beëindiging daarvan, met uitzondering van de val van de trap en de CHUBB-uitkering.
