Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Republic M! B.V.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 3 februari 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:186
Werkgeefster is geen billijke vergoeding aan werkneemster verschuldigd, omdat - ook als de (deels terechte) verwijten die werkneemster maakt worden weggedacht - niet aannemelijk is dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen zou zijn voortgezet. Werkneemster presteerde onder de norm en er is sprake van een verstoorde arbeidsrelatie.

Feiten

Werkneemster was sinds 1 februari 2024 in dienst bij Republic M! B.V. (hierna: Republic M) als Virtual Key Accountmanager op basis van een arbeidsovereenkomst van zeven maanden, eindigend op 1 september 2024. In eerste aanleg heeft werkneemster gesteld dat Republic M ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door haar salaris bij de eindafrekening te verrekenen met een boete wegens schending van het nevenwerkzaamhedenbeding. Volgens haar is dit beding nietig en heeft zij het bovendien niet overtreden. Werkneemster vorderde een billijke vergoeding, achterstallig salaris, immateriële schadevergoeding, een verklaring voor recht, juridische kosten, wettelijke verhoging en rente. Republic M betwistte de vorderingen en stelde dat de verrekening terecht was, omdat werkneemster geen opheldering gaf over haar nevenwerkzaamheden tijdens ziekte. Verder vond Republic M dat werkneemster geen verband heeft aangetoond tussen de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en de door haar gestelde mentale klachten/emotionele schade. Ook meende Republic M dat, mede omdat werkneemster een belangrijk aandeel heeft gehad in de ontstane situatie tussen partijen, zij geen recht heeft op een vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand. De kantonrechter heeft geoordeeld dat Republic M niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en geen billijke vergoeding aan werkneemster hoeft te betalen. Wel oordeelde de kantonrechter dat het nevenwerkzaamhedenbeding nietig is en Republic M de bij werkneemster ingehouden boete, vermeerderd met de wettelijke rente en wettelijke verhoging, aan haar moet terugbetalen (zie AR 2025-0401). Werkneemster heeft hoger beroep aangetekend tegen deze uitspraak, omdat zij het niet eens is met het oordeel dat er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van Republic M. Daarnaast heeft de kantonrechter volgens werkneemster ten onrechte niet overwogen dat er in de eerste twaalf maanden van de ziekteperiode recht bestaat op 100% doorbetaling van het loon. Tot slot twijfelt werkneemster aan de juistheid van de door Republic M verstrekte jaaropgave; zij wenst daarom een juiste en gecorrigeerde jaaropgave te ontvangen. Ook heeft zij geen inzicht in de gedane nabetalingen.

Oordeel

Het hof oordeelt als volgt.

Ernstig verwijtbaar handelen

Het hof is van oordeel dat als de (deels terechte) verwijten die werkneemster maakt aan het adres van Republic M worden weggedacht, niet de conclusie kan worden getrokken dat aannemelijk is dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen zou zijn voortgezet. Onbetwist staat vast dat werkneemster onder de norm presteerde. Uit het overzicht dat Republic M heeft overgelegd blijkt dat werkneemster de doelstellingen die bij haar functie hoorde niet haalde. Vast staat verder dat werkneemster is aangesproken op haar prestaties, maar niet gebleken is dat er een verbetering is opgetreden. Dat er nimmer een officiële beoordeling is geweest, maakt niet dat Republic M deze omstandigheid niet ten grondslag mocht leggen aan haar beslissing de arbeidsovereenkomst met werkneemster niet te verlengen. Daarnaast is er tussen partijen een vertrouwensbreuk ontstaan, waarin beide partijen een aandeel hebben gehad. Ondanks de door partijen ingezette mediation, is het partijen niet gelukt deze breuk te herstellen. Dit betekent dat het causale verband tussen de gedragingen van Republic M en het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst niet kan worden aangenomen. Dit alles leidt tot de conclusie dat de kantonrechter terecht heeft overwogen dat werkneemster geen recht heeft op een billijke vergoeding.

Aanvulling ziekengeld

Ten aanzien van de stelling van werkneemster dat de kantonrechter ten onrechte niet heeft overwogen dat er in de eerste twaalf maanden van de ziekteperiode recht bestaat op 100% doorbetaling van het loon, oordeelt het hof als volgt. Blijkens de bestreden beschikking onder 2.4 tezamen met 2.12 ziet de ‘suppl ziekte’ uit de eindafrekening ad € 2.164,95 op het verschil tussen de 70% en de 100% van het salaris tijdens de ziekteperiode. Dit bedrag is door de kantonrechter toegewezen onder 3.1 in het dictum. Voor zover Republic M dit bedrag niet heeft betaald, beschikt werkneemster al over een executoriale titel om betaling af te dwingen. Er bestaat dan ook geen reden om dit bedrag nogmaals toe te wijzen.

Jaaropgaven en overzicht betalingen

Verder oordeelt het hof dat werkneemster niet heeft onderbouwd dat de door Republic M verstrekte jaaropgaven niet in overeenstemming zijn met de in 2024 door Republic M aan haar betaalde bedragen, zodat dit deel van de vordering wordt afgewezen. Wel zal Republic M, als blijkt dat aan werkneemster nog meer en/of andere bedragen verschuldigd en betaald zijn, nieuwe jaaropgaven dienen te verstrekken met betrekking tot de jaren waarin die betalingen zijn gedaan. Wat ook nog ontbreekt is een correct overzicht van de nabetalingen (ook die naar aanleiding van de bestreden beschikking) tot nu toe. Zo heeft werkneemster gesteld dat zij in maart 2025 € 2.167,11 op haar rekening heeft gekregen, maar van dit betaalde bedrag is echter geen specificatie voorhanden zodat onduidelijk is waar deze betaling op ziet. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Republic M gesteld dat zij alle betalingen, ook de door haar verschuldigde transitievergoeding, na zal gaan kijken. Het hof neemt aan dat Republic M verschuldigde bedragen die zij (nog) niet heeft voldaan, alsnog aan werkneemster zal betalen. Over de gedane en wellicht nog te betalen bedragen is Republic M verplicht een deugdelijke bruto-nettospecificatie aan werkneemster te verstrekken.

De conclusie is dat de bestreden beschikking, waaronder de compensatie van de proceskosten, in stand blijft en bekrachtigd wordt. Een deel van de in hoger beroep gewijzigde verzoeken van werkneemster wordt toegewezen en een deel wordt afgewezen.