Rechtspraak
Feiten
Werknemer is sinds 5 juni 2010 in dienst bij werkgever. Werkgever exploiteert de ‘Beverwijkse Bazaar’, een deels overdekte markt. Werknemer verrichtte zijn werkzaamheden met name op de ‘Oosterse Markt’ van de Bazaar. Als Bazaar-weekendmedewerker was werknemer verantwoordelijk voor het schoonhouden van zijn deel van de bazaar en sprak hij huurders van kramen aan op gedrag dat niet is toegestaan, zoals roken op de marktvloer of het gebruiken van lege kramen die niet worden verhuurd. Werknemer heeft van verschillende huurders van de Oosterse Markt geld geleend, in totaal een bedrag van ongeveer € 12.000. Op 31 december 2024 is werknemer op staande voet ontslagen. Werkgever heeft de volgende gedragingen van werknemer aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd: (1) het niet nakomen van verschillende afspraken die werknemer als representant van de Bazaar in zijn persoonlijke belang met huurders van de Bazaar heeft gemaakt, waardoor het vertrouwen van huurders in de Bazaar is beschadigd en het vertrouwen van de Bazaar in werknemer dusdanig is beschadigd dat voortzetting van zijn dienstverband onmogelijk is geworden; (2) het niet meer naar behoren kunnen verrichten van zijn werkzaamheden omdat werknemer daarin alle grenzen te buiten is gegaan, waardoor hij zich in een positie heeft gebracht dat hij chantabel is en gevoelig voor omkoping; (3) het door zijn gedragingen geven van een slechte naam aan de Bazaar. De kantonrechter heeft geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is.
Oordeel
Het hof oordeelt als volgt. Het hof is van oordeel dat de ontslaggronden 1 en 3 (het niet nakomen van afspraken en het geven van een slechte naam aan de Bazaar) niet zijn komen vast te staan. In de ontslagbrief van 31 december 2024 noch later heeft werkgever toegelicht welke concrete afspraken werknemer met de huurders heeft gemaakt en welke daarvan hij niet is nagekomen. Integendeel: werknemer heeft onbetwist gesteld dat hij alle geleende bedragen heeft terugbetaald. Dat hij door het maken van deze afspraken het vertrouwen van de huurders in de Bazaar heeft beschadigd, is niet nader onderbouwd of gebleken. Werkgever heeft onvoldoende feitelijk onderbouwd dat door het maken en niet nakomen van deze afspraken sprake is geweest van gedragingen die een dringende reden voor ontslag op staande voet zouden kunnen opleveren. Datzelfde geldt voor ontslaggrond 3. Nu de ontslaggronden 1 en 3 het ontslag op staande voet niet kunnen dragen, rijst de vraag of ontslaggrond 2 (het niet meer naar behoren kunnen verrichten van zijn werkzaamheden omdat werknemer daarin alle grenzen te buiten is gegaan) ook los van de andere gronden wel een dringende reden voor ontslag op staande voet kan vormen. Uit vaste rechtspraak volgt dat indien een werkgever meerdere gedragingen aan een ontslag op staande voet ten grondslag heeft gelegd en daarvan slechts een gedeelte komt vast te staan, alleen dan sprake kan zijn van een geldig ontslag op staande voet indien is voldaan aan een aantal vereisten, waaronder dat de werkgever heeft gesteld en ook aannemelijk is dat hij de werknemer ook uitsluitend om die reden op staande voet zou hebben ontslagen. Nu werkgever in de ontslagbrief noch in de onderhavige procedure heeft gesteld en evenmin aannemelijk is geworden dat werknemer ook uitsluitend vanwege ontslaggrond 2 op staande voet zou zijn ontslagen, kan het ontslag op staande voet geen stand houden. In geval van een onterecht gegeven ontslag op staande voet heeft de werknemer op grond van artikel 7:681 BW de keuze tussen ofwel vernietiging van het ontslag op staande voet, ofwel een billijke vergoeding. Werknemer heeft voor de billijke vergoeding gekozen. Het hof ziet geen aanleiding om van de door de kantonrechter vastgestelde billijke vergoeding af te wijken.
