Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Almere), 18 februari 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:704
Feiten
Werknemer is per 1 juli 2025 in dienst getreden bij werkgeefster in de functie van algemeen directeur. De bestuurder en werknemer hebben elkaar na een coachingsessie in augustus 2025 gezoend. Vervolgens hebben partijen onder begeleiding van een collega de speciale band die zij met elkaar hadden en de verdere samenwerking besproken. De bestuurder heeft aangegeven afstand te willen nemen gedurende enkele maanden. Vervolgens is aan werknemer een beëindigingsovereenkomst aangeboden. Eind oktober 2025 heeft een achttal werknemers, onder wie de zus en de echtgenoot van de bestuurder, op verzoek van werkgeefster verklaringen afgelegd over werknemer. Werkgeefster verzoekt ontbinding op de e- en/of g-grond.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Er is geen sprake van een voldragen e-grond. Werkgeefster erkent dat werknemer zijn werk inhoudelijk goed heeft gedaan. Werkgeefster verwijt werknemer zich echter ook extreem complimenteus, intimiderend en zelfs beledigend te hebben uitgelaten en/of gedragen. Werknemers zouden zich onveilig en/of geïntimideerd voelen, daartoe zijn een achttal verklaringen afgelegd. De kantonrechter is van oordeel dat aan de verklaringen minder gewicht kan worden toegekend dan werkgeefster kennelijk voorstaat. De verklaringen gaan in belangriWerkneemsterjke mate over de persoonlijke verhouding tussen werkneemster en bestuurder, en niet zozeer over eigen ervaringen. Onvoldoende is vast komen te staan dat werknemer zich schuldig zou hebben gemaakt aan discriminatie en dat hij andere vrouwelijke collega’s ongewenst zou hebben aangeraakt. De kantonrechter heeft de indruk dat werknemer een dominante leiderschapsstijl had, maar hij is nooit aangesproken op zijn gedrag door werkgeefster. Van verwijtbaar handelen is onvoldoende gebleken. De kantonrechter is het met werkgeefster eens dat de persoonlijke relatie tussen de bestuurder en werknemer, ongeacht wie daarvan al dan niet een verwijt valt te maken, heeft geleid tot een gevoelige en onwerkbare situatie. Werknemer en de bestuurder hebben kennelijk onvoldoende afstand kunnen nemen van het zoenincident en evenmin voldoende begrip kunnen opbrengen voor ieders beleving en de mogelijke consequenties. Wanneer de bestuurder vervolgens gedurende een zekere periode afstand neemt, escaleert de situatie zodanig dat partijen elkaar over en weer beschuldigen van grensoverschrijdend gedrag. De bestuurder meent dat werknemer misbruik heeft gemaakt van haar afhankelijkheid en meer toenadering is gaan zoeken, wat zij niet durfde af te wijzen. Werknemer stelt dat er sprake was van aanhoudende pogingen van de bestuurder om hem tot een affectieve relatie te bewegen. Werknemer beweert dat het voorgenomen ontslag het directe gevolg is van zijn weigering om op verdere toenaderingspogingen van de bestuurder in te gaan. De kantonrechter kan op basis van de door partijen overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is besproken niet vaststellen in hoeverre de door partijen over en weer geschetste affectieve toenaderingspogingen, laat staan wie van beiden daarbij jegens de ander verwijtbaar grensoverschrijdend heeft gehandeld, juist zijn. De kantonrechter houdt het er dan ook voor dat beide partijen verantwoordelijk zijn voor de ontstane situatie en daarmee de ontstane duurzaam verstoorde arbeidsrelatie. Terugkeer van werknemer in de functie van algemeen directeur, zoals hij voorstaat, is gelet op hetgeen zich heeft voorgedaan niet mogelijk. De (persoonlijke) relatie tussen de bestuurder en werknemer is onherstelbaar verstoord, waardoor het voortzetten van de arbeidsrelatie niet meer van werkgeefster gevergd kan worden. Gelet op – onder meer – de eigen rol van werknemer in de escalatie van de situatie is er geen ruimte voor toekenning van een billijke vergoeding. De transitievergoeding wordt toegekend. De proceskosten worden gecompenseerd.
