Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 13 februari 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:560
Feiten
Werknemer is op 12 oktober 2024 in dienst getreden bij werkgeefster. Op 23 november 2024 heeft werknemer een fietsongeval gehad waarbij hij letsel heeft opgelopen aan zijn schouder. Sinds dit ongeval is werknemer arbeidsongeschikt en heeft hij geen werkzaamheden meer verricht. De loonbetaling heeft na de ziekmelding met vertraging plaatsgevonden. Ook de melding bij de bedrijfsarts liep vertraging op. Op 1 april 2025 heeft een eerste (video)consult met de bedrijfsarts plaatsgevonden. In de probleemanalyse concludeert de bedrijfsarts dat werknemer beperkt belastbaar is voor zijn eigen taken, maar dat er mogelijkheden zijn om gedurende enkele uren per week administratieve taken vanuit huis te verrichten. Tevens wordt vermeld dat werknemer geen auto of fiets kan besturen, maar zich wel met het openbaar vervoer kan verplaatsen. In april 2025 hebben partijen meerdere e-mails gewisseld. Werkgeefster heeft werknemer gewezen op zijn re-integratieverplichtingen op grond van de Wet verbetering poortwachter en aangekondigd dat het niet naleven daarvan kan leiden tot een loonstop. Werknemer heeft zich in scherpe bewoordingen uitgelaten over werkgeefster en de bedrijfsarts. Werkgeefster heeft hem hiervoor gewaarschuwd en opnieuw gewezen op zijn verplichtingen. Een fysieke afspraak bij de bedrijfsarts op 6 mei 2025 is door werknemer afgezegd. Een nieuwe afspraak op 13 mei 2025 is door werknemer niet bijgewoond. Werkgeefster heeft daarop per 15 mei 2025 een loonstop aangekondigd. Ook bij de afspraak van 20 mei 2025 is werknemer niet verschenen. Per 20 mei 2025 heeft werkgeefster de loonbetaling stopgezet. De arbeidsovereenkomst is geëindigd op 12 oktober 2025.
Werknemer verzoekt betaling van het achterstallig loon vanaf 20 mei 2025, vermeerderd met wettelijke verhoging, wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. Daarnaast verzoekt hij betaling van de transitievergoeding. Werkgeefster voert primair formele verweren tegen de ontvankelijkheid, onder meer omdat het verzoek tegen de verkeerde rechtspersoon zou zijn ingesteld en omdat geen deskundigenverklaring van het UWV als bedoeld in artikel 7:629a BW is overgelegd. Subsidiair stelt werkgeefster dat de loonstop terecht is toegepast, omdat werknemer zonder deugdelijke grond niet heeft meegewerkt aan redelijke voorschriften gericht op zijn re-integratie. Ten aanzien van de transitievergoeding stelt werkgeefster dat deze reeds (gedeeltelijk) is voldaan en dat bij de berekening moet worden uitgegaan van een arbeidsomvang van 14,5 uur per week.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Werknemer is ontvankelijk in zijn verzoeken. Dat het verzoek aanvankelijk tegen een onjuiste rechtspersoon was gericht, wordt hersteld, nu voor werkgeefster kenbaar was dat er sprake was van een vergissing en zij daardoor niet in haar verdediging is geschaad. Ook het ontbreken van een deskundigenverklaring van het UWV leidt niet tot niet-ontvankelijkheid, omdat niet is gebleken dat werkgeefster de arbeidsongeschiktheid van werknemer betwistte. Ten aanzien van het loon oordeelt de kantonrechter dat de loonstop terecht is toegepast. De bedrijfsarts heeft geoordeeld dat werknemer zich met het openbaar vervoer kon verplaatsen. Werknemer is desondanks driemaal niet verschenen bij een fysieke afspraak en heeft geen deskundigenoordeel bij het UWV aangevraagd. Daarmee heeft hij zonder deugdelijke grond niet meegewerkt aan redelijke voorschriften. Werkgeefster was daarom gerechtigd per 20 mei 2025 een loonstop toe te passen. Het verzoek tot betaling van achterstallig loon en de nevenvorderingen worden afgewezen. Ten aanzien van de transitievergoeding oordeelt de kantonrechter dat deze verschuldigd is over de gehele duur van het dienstverband, inclusief de periode waarin een (terechte) loonstop gold. Voor de berekening wordt uitgegaan van een gemiddelde arbeidsomvang van 27,6 uur per week, zoals volgt uit de loonstroken over de zes weken voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid, en een bruto-uurloon van € 14,77. Werkgeefster wordt veroordeeld tot betaling van de resterende transitievergoeding, onder aftrek van het reeds betaalde bedrag van € 219,16 bruto, en tot verstrekking van een bruto-nettospecificatie. De proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
