Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgever
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 16 februari 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:661
Billijke vergoeding en vergoeding van werkelijke proceskosten nadat werkgever werkneemster voor een tweede keer op staande voet ontslaat, terwijl een eerder gegeven ontslag op staande voet op nagenoeg dezelfde grond is vernietigd.

Feiten

Werkneemster is op 1 september 2021 in dienst getreden bij werkgever (een kinderopvang). Op 7 maart 2025 is werkneemster op staande voet ontslagen, met als dringende reden: (1) dagdieverij, doordat zij bewust minder uren zou hebben gewerkt dan het aantal contracturen dat zij uitbetaald heeft gekregen en (2) diefstal, dan wel frauduleus handelen door werkneemster met betrekking tot de opvanguren van haar dochter bij werkgeefster. Bij beschikking van 18 juli 2025 is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven. Het ontslag op staande voet werd vernietigd en de arbeidsovereenkomst is op verzoek van werkgever ontbonden per 1 september 2025 vanwege een verstoorde arbeidsverhouding. Ook is in de beschikking geoordeeld dat werkneemster niet verwijtbaar heeft gehandeld, omdat niet is komen vast te staan dat zij meer uren betaald heeft gekregen dan zij heeft gewerkt of dat zij niet heeft betaald voor de opvang van haar dochter terwijl zij dat wel had moeten doen. Op 30 augustus 2025 is werkneemster opnieuw op staande voet ontslagen, op nagenoeg dezelfde gronden als het eerdere ontslag van 7 maart 2025. Werkneemster stelt zich op het standpunt dat ook het tweede ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven en verzoekt toekenning van een billijke vergoeding en een vergoeding voor de werkelijke advocaatkosten.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt dat het tweede ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, omdat ook dit ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven. Het ontslag op staande voet van 30 augustus 2025 is vrijwel op dezelfde feiten en omstandigheden gebaseerd als het eerste ontslag op staande voet, namelijk frauduleus handelen van werkneemster ten aanzien van haar werkuren en de opvang van haar dochter, afgezien dat werkgever werkneemster nu ook verwijt dat werkneemster met haar stiefdochter naar zwemles ging onder werktijd. Ook deze gebeurtenis heeft lang geleden plaatsgevonden, namelijk in de periode vóór het eerste ontslag op staande voet op 7 maart 2025. Werkgever heeft dit eind juli 2025 ontdekt en is vervolgens pas op 30 augustus 2025 overgegaan tot een tweede ontslag op staande voet. Niet gebleken is dat de tussenperiode gebruikt is voor diepgaand onderzoek. Dat maakt dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven. Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat hem niet is gebleken dat woensdagmiddag de vaste werkdag van werkneemster was, zodat niet is komen vast te staan dat werkneemster haar stiefdochter tijdens werktijd naar zwemles zou hebben gebracht. Van een dringende reden is dan ook geen sprake. Werkgever moet werkneemster een billijke vergoeding betalen. Het is aannemelijk dat de belasting van een extra procedure van een tweede ontslag op staande voet (op basis van oude ontslaggronden waarover al een oordeel is gegeven in een vorige procedure) spanningen en stress voor werkneemster hebben meegebracht. De kantonrechter is van oordeel dat werkneemster daarom een vergoeding voor immateriële schade toekomt, in de vorm van een billijke vergoeding van € 1.000 netto. Ook wordt werkgever veroordeeld tot betaling van de werkelijke proceskosten van werkneemster. Werkgever had het tweede ontslag op staande voet, vanwege de evidente ongegrondheid ervan, achterwege moeten laten. Werkneemster werd genoodzaakt tot het voeren van de onderhavige procedure en dat levert misbruik van procesrecht op. Daarbij weegt ten nadele van werkgever mee dat de arbeidsovereenkomst per 1 september 2025 toch al tot een einde zou komen. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat een veroordeling van werkgever in de volledige proceskosten, berekend op € 6.384 exclusief btw plus € 897 inclusief btw, gerechtvaardigd is.