Rechtspraak
Rechtbank Gelderland (Locatie Nijmegen), 17 december 2025
ECLI:NL:RBGEL:2025:11773
Feiten
Werkneemster is per 4 april 2022 in dienst getreden bij werkgeefster in de functie van bedrijfsjuriste. Tussen partijen is een geschil ontstaan over de indeling en uitbreiding van de juridische werkzaamheden. Vervolgens is werkneemster op non-actief gesteld. Vervolgens is aan werkneemster een beëindigingsovereenkomst aangeboden. Daarna heeft werkneemster zich ziek gemeld. Werkgeefster heeft vervolgens, in overeenstemming met het advies van de bedrijfsarts, voorgesteld een mediationtraject te doorlopen. Dit heeft werkneemster aanvankelijk geweigerd. Vervolgens is er een mediationtraject doorlopen dat zonder resultaat is afgerond. Partijen zijn blijvend in onmin gebleven en wederom in onmin geraakt, en hebben een nieuw mediationtraject zonder succes doorlopen. Werkgeefster verzoekt ontbinding op de g-grond van de arbeidsovereenkomst. Volgens werkgeefster is werkneemster al langere tijd ontevreden over haar beloning. Partijen zijn er echter niet in geslaagd samen tot een businessmodel te komen waarin voor werkneemster kansen lagen om haar inkomen te vergroten. Uiteindelijk zijn in een gesprek op 29 oktober 2024 de gemoederen hoog opgelopen, waarna werkgeefster van werkneemster verwachtte dat zij zich correct zou gedragen en de gezagsverhoudingen zou erkennen, hetgeen zij heeft geweigerd. Hierna heeft werkgeefster werkneemster op non-actief gesteld en heeft werkneemster zich een aantal dagen later ziek gemeld. Partijen hebben elkaar vervolgens over en weer ernstige verwijten gemaakt. Naar aanleiding van adviezen van de ingeschakelde bedrijfsarts is tot twee keer toe een mediationpoging gedaan, welke pogingen niet hebben geresulteerd in enige oplossing voor het ontstane conflict. Werkgeefster ziet, mede gelet op de toon en de verwijten van werkneemster in haar correspondentie aan het adres van werkgeefster, geen andere mogelijkheid meer dan een beëindiging van de arbeidsrelatie.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Partijen zijn het erover eens dat de verhoudingen verstoord zijn geraakt. Werkneemster verwijt werkgeefster deze verstoring te hebben veroorzaakt. De bedrijfsarts heeft meermaals geconstateerd dat er sprake was van een verstoring van de verhoudingen tussen partijen. In de tussentijd hebben partijen elkaar over en weer stevige verwijten gemaakt. Op geen moment lijkt sprake van een positieve wending, en met de mediation is geen resultaat behaald. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat er sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie waarbij niet langer kan worden verwacht deze nog voort te zetten. Gelet op de verstoring ligt herplaatsing niet in de rede. De kantonrechter ziet geen aanleiding om een billijke vergoeding toe te kennen, omdat er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde van werkgeefster. Werkgeefster heeft de adviezen van de bedrijfsarts opgevolgd en heeft werkneemster regelmatig met rust gelaten. De door werkneemster verzochte vernietiging van het relatiebeding wordt geweigerd, omdat het rechtsgeldig is overeengekomen en werkneemster op geen enkele manier heeft onderbouwd dat het onbillijk is om haar aan dit beding te houden. Daarbij is werkneemster werkzaam in een niche en zijn er voldoende andere mogelijkheden om als juriste werkzaam te zijn zonder het relatiebeding te schenden. Dat werkneemster recht heeft op een bonus over 2025 is onvoldoende gebleken. Werkneemster heeft geen recht op uitbetaling van de kerstbonus over 2025. De verzochte vergoeding van de reiskosten die werkneemster heeft gemaakt om naar de bedrijfsarts te gaan wordt afgewezen. De transitievergoeding wordt toegekend. De proceskosten worden gecompenseerd.
