Rechtspraak
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 5 september 2025
ECLI:NL:RBGEL:2025:11870
Feiten
Werknemer is per 2008 in dienst getreden bij OCE Nederland B.V. (hierna: OCE). OCE verzoekt ontbinding op de e-, g-, h- en/of i-grond. OCE stelt dat werknemer tot en met 2023 goed heeft gefunctioneerd, maar dat er vanaf 2024 problemen ontstonden in de samenwerking, de communicatie en het leiderschap en dat werknemer weerstand bood tegen feedback en verandering. Hier is werknemer in het evaluatiegesprek over 2023 op gewezen. Vervolgens is de samenwerking volgens OCE juist stroever gaan lopen. In maart 2025 is werknemer een verbetertraject of een beëindiging van de arbeidsovereenkomst aangeboden. Vervolgens heeft werknemer zich ziek gemeld. Werknemer betwist dat hij niet functioneert.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. De arbeidsovereenkomst wordt niet ontbonden. De kantonrechter is het met werknemer eens dat de door OCE gestelde zwakke punten niet zijn terug te lezen in het evaluatieformulier van 2023. Het functioneren van werknemer is geëvalueerd als op niveau. Bovendien is geen verbetertraject geïnitieerd. Tijdens de zitting stelt OCE dat disfunctioneren (de d-grond) niet uitdrukkelijk als redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst is aangevoerd, omdat zij meent dat werknemer vanuit de techniek bezien wel goed functioneert. Het probleem zit volgens OCE in de samenwerking tussen werknemer en zijn collega’s. Voor het eerst tijdens de zitting licht OCE toe dat bijna alle collega’s van werknemer tijdens hun halfjaarlijkse evaluatiegesprekken hebben gemeld dat zij samenwerken met werknemer als lastig ervaren, omdat zij hem niet vertrouwen, bang zijn om fouten te maken die hij onmiddellijk meldt bij het management en omdat hij belangrijke informatie die nuttig is voor collega’s voor zichzelf houdt. Ook heeft OCE aangevoerd dat onafhankelijke coaches van een workshop over sociale veiligheid hebben gemeld dat werknemer een negatieve stempel op het team drukt. Werknemer betwist de stellingen van zijn collega’s. Al met al oordeelt de kantonrechter dat OCE haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. Het beroep op de h- en i-grond slaagt niet, omdat OCE deze gronden op geen enkele manier heeft toegelicht of onderbouwd. OCE wordt in de proceskosten veroordeeld.
