Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 10 februari 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:771
Feiten
Werknemers zijn in dienst geweest van Bouwbedrijf Oskam Bunnik B.V. (hierna: Oskam). Inmiddels zijn werknemers met pensioen. De activiteiten van Oskam vallen onder de werkingssfeeromschrijving van de verplichtstellingsbeschikking van het Bpf Bouw. Van 1 juli 1982 tot 1 januari 2007 was Oskam gedispenseerd van deelname. In die tijd hebben werknemers pensioen opgebouwd in een pensioenregeling van Oskam bij Nationale Nederlanden (hierna: NN). In artikel 16 van de pensioenregeling (hierna: PR NN), die sinds 1 januari 2006 van kracht is, is een indexering van de pensioenen opgenomen. De indexering van deze pensioenaanspraken heeft Oskam vanaf 1 januari 2007 ondergebracht bij Bpf Bouw door middel van een uitvoeringsovereenkomst. Oskam heeft de bij NN opgebouwde pensioenaanspraken van werknemers (hierna: de NN-pensioenaanspraken) tot 1 januari 2022 jaarlijks geïndexeerd met de percentages waarmee Bpf Bouw de bij haar opgebouwde pensioenen heeft geïndexeerd. Oskam heeft de uitvoeringsovereenkomst met Bpf Bouw opgezegd per 1 januari 2022. Zij heeft werknemers dit bericht bij brief van 12 september 2022 en daarin meegedeeld dat er vanaf 1 januari 2022 geen verhoging van de pensioenuitkeringen meer zal plaatsvinden. Daarmee heeft zij de indexeringsregeling die onderdeel uitmaakt van de pensioenregeling beëindigd. Werknemers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en een procedure bij de kantonrechter gestart. In deze procedure vorderden werknemers nakoming van de pensioenovereenkomst dan wel een schadevergoeding. De kantonrechter heeft de vorderingen gedeeltelijk toegewezen (zie AR 2024-0630). Beide partijen zijn het daarmee niet eens en hebben hoger beroep ingesteld. Het gaat in hoger beroep om de vraag of Oskam heeft gehandeld in strijd met de pensioenovereenkomst door de indexeringsregeling die daarvan deel uitmaakte stop te zetten. Deze vraag kan opgesplitst worden in vijf vragen die partijen verdeeld houden, die hieronder worden besproken.
Oordeel
Het hof oordeelt als volgt.
(i) Is de indexeringsregeling voorwaardelijk of onvoorwaardelijk?
Het hof oordeelt dat het hier gaat om een voorwaardelijke indexeringsregeling. In artikel 16 PR NN wordt weliswaar bepaald dat de pensioenen “zullen” worden aangepast, maar er staat ook dat die aanpassing geschiedt “overeenkomstig” de bepalingen van artikel 25 van het pensioenreglement Bpf Bouw. Het woord “overeenkomstig” duidt erop dat de inhoud van de indexeringsregeling wordt bepaald door laatstgenoemd artikel. Dat artikel 25 een voorwaardelijke indexeringsregeling inhoudt, is niet in geschil. Daarom heeft ook de indexeringsregeling van artikel 16 een voorwaardelijk karakter. De indexeringsregeling is ook steeds op deze wijze uitgevoerd.
(ii) Is sprake van een eenzijdig wijzigingsbeding?
Artikel 17 lid 2 PR NN bevat een wijzigingsbeding. Partijen zijn het er niet over eens of dit beding (nog) werking had in 2022, toen de indexeringsregeling is stopgezet door Oskam. Anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld, oordeelt het hof dat dit wel het geval is. In artikel 17 lid 2 PR NN wordt namelijk onderscheid gemaakt tussen twee situaties, te weten de periode van dispensatie én de periode daarna. Er is dus sprake van een eenzijdig wijzigingsbeding.
(iii) Welke toetsingsmaatstaf geldt voor de beoordeling van de wijziging?
Volgens Oskam zijn artikel 19 Pensioenwet (PW) en artikel 7:613 Burgerlijk Wetboek (BW) (dat dezelfde maatstaf inhoudt) niet van toepassing in de rechtsverhouding tussen een voormalig werkgever en gepensioneerden. Het hof oordeelt echter dat dit wel het geval is. Na het einde van de arbeidsovereenkomst is de rechtsverhouding tussen de werkgever en de oud-werknemer/pensioengerechtigde niet uitgewerkt, maar wordt die voortgezet in de pensioenovereenkomst. Na de invoering van de WTP per 1 juli 2023 bevat artikel 19 PW een tweede lid, waarin met zoveel woorden is bepaald dat de maatstaf van lid 1 (die overeenkomt met artikel 19 PW oud) ook van toepassing is ten aanzien wijzigingen van de pensioenovereenkomst voor (onder meer) pensioengerechtigden. In de memorie van toelichting bij dit artikellid staat dat met dit artikellid wordt “verduidelijkt” dat de wijzigingsbevoegdheid ten aanzien van pensioengerechtigden aan dezelfde voorwaarden is gebonden als de eenzijdige wijziging voor werknemers.
(iv) Is de beëindiging van de indexeringsregeling toegestaan?
Het hof concludeert dat Oskam met de beëindiging van de indexeringsregeling heeft gehandeld in strijd met de pensioenovereenkomst. Oskam heeft aangevoerd dat zij de financieringslast voor de indexaties niet kan dragen maar heeft dat niet onderbouwd. Van Oskam had verwacht mogen worden om de door haar gestelde bedrijfseconomische noodzaak van beëindiging van de indexeringsregeling te onderbouwen met jaarrekeningen, inclusief winst- en verliesrekening, voorzien van een accountantsverklaring over de periode voorafgaand aan de beëindiging van de indexeringsregeling, alsmede, gezien het verweer van werknemers, relevante gegevens over het concern waartoe zij behoort. De kantonrechter heeft geoordeeld dat Oskam geen onderbouwing heeft gegeven van de noodzaak om de indexeringsregeling volledig te beëindigen. Ondanks dat oordeel heeft Oskam ook in hoger beroep geen onderbouwing gegeven van haar stellingen in dit verband. Verder heeft Oskam nog gewezen op het personeelsbestand dat is gekrompen, maar dat kan op zichzelf geen zwaarwegend belang opleveren. Ook heeft Oskam aangevoerd dat werknemers slechts indexatie over een klein deel van hun totale pensioenuitkering missen, maar zij heeft geen exact inzicht gegeven in de omvang van de NN-uitkering in relatie tot de pensioenuitkering van Bpf Bouw.
(v) Welke vorderingen zijn toewijsbaar?
Het hof wijst de gevorderde verklaring voor recht toe dat Oskam jegens werknemers niet gerechtigd was om in 2022 de indexeringsregeling zoals opgenomen in artikel 16 PR NN eenzijdig te beëindigen én dat Oskam op grond van de pensioenovereenkomst en het nawerkend goed werkgeverschap ex artikel 7:611 BW gehouden is om de NN-pensioenaanspraken van werknemers te indexeren overeenkomstig de indexaties die Bpf Bouw toekent aan haar slapers en gepensioneerden. Ook veroordeelt het hof Oskam tot (af)financiering en onderbrenging van de verschuldigde indexaties. Voor de berekening hiervan worden de (niet betwiste) stukken van Oskam gebruikt. De gevorderde dwangsom, de gevorderde verklaring voor recht dat Oskam door beëindiging van de indexeringsregeling het voorschrift van artikel 7 lid 5 Vrijstellingsbesluit schendt en de gevorderde schadevergoeding worden daarentegen afgewezen.
