Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 13 januari 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:927
Feiten
Werkneemster werkte van 1 februari 2025 tot en met 31 augustus 2025 bij Labyrint. Werkneemster stelt dat zij, na het einde van haar arbeidsovereenkomst, recht had op een transitievergoeding van € 482,37, maar dat Labyrint dat bedrag niet aan haar heeft betaald. Daarom verzoekt werkneemster in deze procedure dat Labyrint veroordeeld wordt € 482,37, met rente, aan haar te betalen.
Oordeel
Labyrint heeft in haar e-mail van 1 december 2025 aangevoerd dat zij de transitievergoeding van € 482,37 op 3 november 2025 aan werkneemster heeft betaald. Werkneemster heeft in haar e-mail van 30 december 2025 erkend dat Labyrint de verzochte transitievergoeding op laatstgenoemde datum aan haar heeft betaald. De kantonrechter begrijpt de e-mail van werkneemster zo dat zij daarom nog slechts aanspraak maakt op een veroordeling van Labyrint in de proceskosten. In dat verband stelt werkneemster dat zij voorafgaand aan de procedure al heeft geprobeerd deze kwestie op te lossen door Labyrint meerdere malen te verzoeken de transitievergoeding te betalen, maar dat dit niet tot resultaat heeft geleid. In reactie hierop heeft Labyrint in haar e-mail van 31 december 2025 herhaald dat dat zij de transitievergoeding aan werkneemster heeft voldaan. Labyrint heeft niet betwist dat zij een transitievergoeding aan werkneemster verschuldigd is en ook niet dat werkneemster haar voorafgaand aan deze procedure meerdere malen - tevergeefs - heeft verzocht tot betaling daarvan over te gaan. Dat betekent dat werkneemster op terechte gronden de onderhavige verzoekschriftprocedure is gestart. Tussen partijen staat verder vast dat Labyrint het bedrag pas op 3 november 2025 aan werkneemster heeft voldaan, nadat werkneemster haar verzoekschrift op 20 oktober 2025 bij de griffie had ingediend. Omdat Labyrint de verzochte transitievergoeding pas heeft betaald nadat deze procedure is gestart, komen de proceskosten voor haar rekening.
