Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Bergen op Zoom), 12 december 2025
ECLI:NL:RBZWB:2025:8880
Feiten
Werknemer is in dienst van werkgever en heeft werkgever in rechte betrokken. Werkgever verzoekt (als tegenverzoek) de arbeidsovereenkomst met werknemer te ontbinden vanwege een verstoorde arbeidsverhouding. Werknemer valt daarvan geen verwijt te maken. Ook is herplaatsing niet mogelijk dan wel ligt dit niet in de rede. Werkgever heeft gesteld dat het verzoek geen verband houdt met het bestaan van een opzegverbod. Werkgever heeft verzocht de arbeidsovereenkomst per 1 februari 2026 te ontbinden. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling in het verzoek een minnelijke regeling getroffen. Partijen hebben met betrekking tot het tegenverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst uitspraak verzocht.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Mede gelet op de referte van werknemer ontbindt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst per 1 februari 2026. Partijen hebben overeenstemming bereikt over de financiële afwikkeling van de arbeidsovereenkomst. Werknemer is arbeidsongeschikt zodat het opzegverbod conform artikel 7:670 BW van toepassing is. Hierop wordt echter op grond van artikel 7:671b lid 6 onderd a BW een uitzondering gemaakt, omdat het verzoek geen verband houdt met omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft. Gelet op de uitkomst van deze procedure is het redelijk dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.
