Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 4 december 2025
ECLI:NL:RBAMS:2025:9965
Feiten
Werknemer is op 1 november 2024 in dienst getreden bij werkgeefster als chauffeur voor 40 uur per week op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van één jaar, tegen een brutoloon van € 17,99 per uur. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen van toepassing. Op 5 mei 2025 heeft werknemer zich ziekgemeld. Sindsdien heeft werknemer geen werkzaamheden meer verricht voor werkgeefster. Werkgeefster heeft vanaf de maand mei 2025 geen salaris meer aan werknemer betaald. Op 15 juli 2025 heeft de gemachtigde van werknemer werkgeefster aangemaand tot betaling van het verschuldigde loon, vermeerderd met de wettelijke verhoging en juridische kosten, zonder resultaat. Werknemer stelt dat hij sinds aanvang van de arbeidsovereenkomst structureel meer uren heeft gewerkt dan overeengekomen en dat werkgeefster ten onrechte geen cao-loonsverhoging heeft doorgevoerd. Volgens werknemer heeft hij slechts € 19.000 netto uitbetaald gekregen. Werkgeefster erkent dat werknemer op grond van de cao per 1 januari 2025 recht had op een loonsverhoging, maar stelt dat het loon wekelijks bij wijze van voorschot werd betaald. Werkgeefster betwist dat werknemer meer uren heeft gewerkt en betwist dat werknemer ziek was. Daarnaast voert werkgeefster aan dat werknemer een trekker met veel schade heeft achtergelaten en dat zij deze schade mag verrekenen met het achterstallig loon. Werknemer vordert betaling van € 59.163,67 bruto aan achterstallig loon over de periode van 1 november 2024 tot en met 1 juli 2025, verminderd met het reeds betaalde nettoloon van € 19.000, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente. Daarnaast vordert werknemer verstrekking van loonspecificaties op straffe van een dwangsom, doorbetaling van loon tijdens arbeidsongeschiktheid en naleving van de re-integratieverplichtingen door werkgeefster, eveneens op straffe van een dwangsom. Verder vordert werknemer betaling van buitengerechtelijke incassokosten en veroordeling van werkgeefster in de proceskosten.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat werknemer meer dan 40 uur per week heeft gewerkt. Uit de door werknemer overgelegde tachograafgegevens volgt niet dat hij gemiddeld 70,48 uur per week heeft gewerkt. Werknemer heeft bovendien niet de volledige urenregistratie overgelegd. Voor nadere bewijslevering is in dit kort geding geen ruimte. De vordering tot betaling van overuren wordt daarom afgewezen. Nu niet kan worden vastgesteld hoeveel uren werknemer heeft gewerkt, kan evenmin worden vastgesteld dat het door werkgeefster betaalde voorschot, inclusief de erkende cao-loonsverhoging per januari 2025, onvoldoende is geweest. Ook deze vordering wordt afgewezen. Ten aanzien van de ziekmelding oordeelt de kantonrechter voorshands dat werknemer vanaf 5 mei 2025 ziek was, nu werkgeefster geen bedrijfsarts heeft ingeschakeld. Vast staat dat werknemer vanaf 23 juni 2025 weer beter was. Hoewel werkgeefster in beginsel verplicht is het loon tijdens ziekte door te betalen, kan gelet op de door werkgeefster gestelde betalingen, verrekeningen en schade, en het feit dat werknemer na herstel geen werkzaamheden meer heeft verricht, niet eenvoudig worden vastgesteld dat op dit moment een betalingsverplichting bestaat. Hiervoor is nadere bewijslevering nodig, waarvoor in kort geding geen ruimte is. De gevorderde afgifte van loonspecificaties, naleving van re-integratieverplichtingen, betaling van de wettelijke verhoging, wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen. De proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.
