Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Gemeente Hellendoorn
Rechtbank Overijssel (Locatie Almelo), 3 oktober 2025
ECLI:NL:RBOVE:2025:7713
Werkneemster verzoekt om toekenning van diverse vergoedingen na een ontslag op staande voet door de gemeente Hellendoorn vanwege diefstal. De kantonrechter wijst het verzoek af.

Feiten

Werkneemster is per 1 augustus 1990 in dienst getreden bij de gemeente Hellendoorn (hierna: de gemeente). Op 28 mei 2025 is werkneemster op staande voet ontslagen vanwege niet integer handelen, zoals het twee keer meenemen van een doos eieren uit de keuken in de lounge van de gemeente, het declareren van een lunch op een project dat niets met de lunch te maken had en het geven van een onvoldoende transparante verklaring over die feiten. Werkneemster verzoekt de kantonrechter om toekenning van een billijke vergoeding, een gefixeerde schadevergoeding en de transitievergoeding. Werkneemster erkent dat zij de kosten van een lunch met een collega op rekening van de gemeente heeft laten zetten en dat zij twee keer een doosje eieren heeft meegenomen zonder te betalen, maar stelt dat die feiten volgens haar geen dringende reden voor ontslag opleveren. Er was volgens haar sprake van hoge werkdruk en daarom had ze geen tijd om te betalen. Ze stelt dat ze om die reden in de middag van 23 mei 2025 een briefje heeft neergelegd met de vraag hoeveel ze verschuldigd was voor de eieren. En dat ze had afgesproken dat deze handelswijze was toegestaan.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig gegeven is. Wat verder ook zij van de hiervoor genoemde feiten, het zonder toestemming wegnemen van producten zonder daarvoor te betalen vormt op zichzelf een dringende reden voor een ontslag op staande voet. Het staat vast dat werkneemster twee keer een doosje eieren heeft meegenomen uit de keuken zonder daarvoor te betalen. Haar verklaring over het neerleggen van een briefje, waarin ze zou aangeven later te zullen betalen, en de afspraak daarover met een collega, zijn onvoldoende geloofwaardig. Een dergelijk briefje is niet gevonden en de collega heeft ontkend dat een dergelijke afspraak met haar is gemaakt. Ook het argument dat werkneemster niet direct heeft betaald voor de eieren vanwege de hoge werkdruk, is ongeloofwaardig. Mogelijk kost wel betalen iets meer tijd dan niet betalen, naar daar staat tegenover dat werkneemster ’s ochtends eerst een briefje heeft moeten schrijven, vervolgens dat briefje heeft moeten neerleggen en later opnieuw naar het restaurant heeft moeten gaan om de eieren daadwerkelijk mee te nemen. Bovendien heeft werkneemster ook nadien nooit voor de eieren betaald. Kortom, uit de feiten blijkt afdoende dat werkneemster tweemaal eieren heeft gestolen en dat dit ook haar bedoeling was. Met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden heeft werkneemster weliswaar gesteld dat het haar nog niet gelukt is om een nieuwe baan te vinden, maar dat neemt niet weg dat het in de huidige arbeidsmarkt te verwachten is dat zij op korte termijn alsnog een nieuwe baan vindt. Bovendien is diefstal een ernstig feit. De verzoeken van werkneemster worden afgewezen. Werkneemster wordt in de proceskosten veroordeeld.