Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie Eindhoven), 23 december 2025
ECLI:NL:RBOBR:2025:8892
Feiten
Werkneemster is op 1 december 2019 bij TU/e in dienst getreden in de functie van universitair docente 2 bij de faculteit Industrial Engineering & Innovation Sciences (IE&IS), binnen de vakgroep Human Technology Interaction (HTI). Op de arbeidsovereenkomst is de Cao Nederlandse Universiteiten (hierna te noemen: de cao) van toepassing. Bij brief van 30 mei 2024 heeft TU/e werkneemster bericht dat TU/e haar arbeidsovereenkomst niet voor onbepaalde tijd zal verlengen. Vanwege zwangerschap van werkneemster is de arbeidsovereenkomst eenmalig met drie maanden verlengd. De arbeidsovereenkomst van werkneemster is daarmee verlengd tot en met 28 februari 2025. Werkneemster vordert primair dat TU/e haar zonder enige belemmering toelaat tot de overeengekomen werkzaamheden met daarbij het aan haar toekomende achterstallige salaris en subsidiair een billijke vergoeding van € 73.884 bruto.
Oordeel
Werkneemster stelt in de dagvaarding een spoedeisend belang te hebben daar zij recht heeft op loon en thans onterecht is aangewezen op een ZW/WW-uitkering. Daarnaast heeft zij ter zitting toegelicht dat haar spoedeisend belang is gelegen in haar wens om haar academische carrière zo snel mogelijk te kunnen vervolgen. TU/e heeft het door werkneemster gestelde spoedeisend belang uitdrukkelijk betwist. Zij wijst erop dat de arbeidsovereenkomst al op 28 februari 2025 is geëindigd en werkneemster het onderhavige kort geding pas op 21 oktober 2025 is gestart. Ter zitting heeft werkneemster toegelicht dat dit te maken heeft met de bevalling van haar tweede kind en een auto-ongeluk dat zij op 20 mei 2025 heeft gehad, waarbij zij naar eigen zeggen een whiplash heeft opgelopen. Deze omstandigheden slokten al haar aandacht op waardoor het tot 21 oktober 2025 heeft geduurd voordat zij dit kort geding aanhangig heeft gemaakt. Gelet op de vereiste spoedeisendheid en de aard van de vordering – wedertewerkstelling en betaling van achterstallig loon – mag van werkneemster de nodige voortvarendheid worden verwacht in die zin dat zij haar vordering zo snel mogelijk na 28 februari 2025, althans zonder onredelijke vertraging, instelt. Spoedeisendheid impliceert immers dat er zo snel mogelijk een voorlopige voorziening moet worden getroffen, waar geen maanden mee kan worden gewacht. De vraag die voorligt, is of de door werkneemster aangevoerde omstandigheden rechtvaardigen dat zij haar vordering pas acht maanden na het door TU/ge gestelde en door haar bestreden einde van de arbeidsovereenkomst heeft ingesteld. De kantonrechter stelt vast dat de gemachtigden van partijen in de periode november 2024 tot februari 2025 uitgebreid standpunten hebben uitgewisseld. Dit betekent dat de gemachtigde van werkneemster in ieder geval vanaf november 2024 betrokken was bij het geschil van partijen én op de hoogte was van het standpunt van de TU/e in dezen. Gelet hierop heeft werkneemster met de enkele verwijzing naar haar bevalling en auto-ongeluk in mei 2025 onvoldoende onderbouwd waarom zij tot oktober 2025 geen actie heeft ondernomen c.q. een kort geding is gestart. Zij wist immers al vanaf november 2024 dat TU/e haar arbeidsovereenkomst niet voor onbepaalde tijd zou verlengen. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom zij tot oktober 2025 heeft gewacht met het entameren van onderhavig kort geding. Gelet op het stadium van haar zwangerschap in november 2024 en het feit dat haar gemachtigde reeds bij de zaak betrokken was, stond niets werkneemster in de weg om reeds op dat moment dan wel in december 2024 of januari 2025 – nog vóór haar zwangerschaps- en bevallingsverlof – althans in februari 2025 haar gemachtigde opdracht te geven een kort geding te entameren.
Al met al komt de kantonrechter tot de conclusie dat onder voornoemde omstandigheden niet kan worden aangenomen dat werkneemster op dit moment – bijna tien maanden na het door TU/e gestelde einde van de arbeidsovereenkomst – een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Dit betekent dat de vorderingen zullen worden afgewezen.
