Naar boven ↑

Rechtspraak

Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid c.s./werkgever
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 10 december 2025
ECLI:NL:RBNHO:2025:14915
Asbestsaneringsbedrijf valt vanaf medio 2016 onder verplichte regelingen voor bouwsector en moet vanaf dat moment premie betalen. Van 2007 tot medio 2016 valt werkgever onder isolatie-uitzondering; over die periode zijn regelingen niet van toepassing en is geen premie verschuldigd.

Feiten

Werkgeefster is een onderneming die zich bezighoudt met asbestsanering. Bpf Bouw is een verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds in de zin van de Wet Bpf 2000. Tot 15 juli 2016 gold in de verplichtstellingsbesluiten voor ondernemingen die zich bezighielden met asbestverwijdering een uitzondering voor de verplichte deelneming in het bedrijfstakpensioenfonds, als die onderneming zich bezighield met ‘asbestverwijdering als voorbehandeling ten behoeve van het aanbrengen, herstellen, bekleden, afwerken en/of onderhouden van isolerende materialen.’ Deze uitzondering in de verplichtstellingsbesluiten wordt ook wel aangeduid als ‘de isolatie-uitzondering’. De isolatie-uitzondering stond van 2007 tot 2016 ook in de Cao Bouw en de Cao BTER. De isolatie-uitzondering is vervallen in de verplichtstellingsbesluiten zoals die op en na 15 juli 2016 gelden. De isolatie-uitzondering is per 8 april 2016 ook vervallen in de Cao Bouw en per 1 januari 2016 vervallen in de Cao BTER. Bpf Bouw, het O&O Fonds en het Aanvullingsfonds (hierna gezamenlijk: de Fondsen) vorderen een verklaring voor recht dat werkgeefster vanaf 1 januari 2007 gebonden is aan de Bouwregelingen en dat werkgeefster wordt veroordeeld tot betaling van € 841.980,76 aan premie.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Werkgeefster valt in de periode van 1 januari 2007 tot (medio) 2016 onder de isolatie-uitzondering. Werkgeefster heeft ter onderbouwing van haar standpunt dat zij onder deze uitzondering valt een overzicht van de door haar verrichte projecten in 2013 en 2014 overgelegd, met de daarbij behorende facturen en onderliggende stukken. Uit het overzicht blijkt voldoende dat werkgeefster deels werkzaamheden heeft verricht waarvan onbetwist is dat het verwijderde asbest werd gebruikt vanwege de isolerende werking daarvan, zoals bij asbestzeil op de vloer, bij leidingisolatie, (gevel)beplating en vloerluiken. Ten aanzien van deze werkzaamheden kan er dus in ieder geval van worden uitgegaan dat deze onder de isolatie-uitzondering vallen. Verder blijkt uit het overzicht ook voldoende dat veel andere projecten van werkgeefster zagen op het verwijderen van asbestverwijdering dat werd opgevolgd door werkzaamheden met een isolerend doel en karakter. De conclusie van het voorgaande is dat de vordering van de Fondsen om voor recht te verklaren dat werkgeefster vanaf 1 januari 2007 gebonden is aan de Bouwregelingen en moet worden veroordeeld tot betaling van premie, ten aanzien van de periode van 1 januari 2007 tot (medio) 2016 wordt afgewezen. Vast staat dat de isolatie-uitzonderingen in de Bouwregelingen zijn vervallen in 2016. De door de Fondsen gevorderde verklaring voor recht dat werkgeefster ten aanzien van de periode vanaf (medio) 2016 is gebonden aan de Bouwregelingen, wordt dan ook met inachtneming van deze data toegewezen. Werkgeefster wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag aan premie na herberekening.