Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 24 december 2025
ECLI:NL:RBMNE:2025:7074
Feiten
Werkneemster werkte tot 1 januari 2021 bij werkgeefster, laatstelijk voor 24 uur per week tegen een salaris van € 1.665,26 bruto per maand. Op de arbeidsovereenkomst was de cao Gehandicaptenzorg van toepassing. Na het niet‑voortzetten van de arbeidsovereenkomst per 31 december 2020 heeft werkgeefster in december 2020 een eindafrekening opgesteld. Op de loonstrook blijkt dat werkgeefster in totaal € 4.006,42 bruto heeft ingehouden wegens vermeend te veel opgenomen vakantie‑uren/minuren. Werkneemster erkent dat zij minder uren heeft gewerkt dan contractueel overeengekomen, maar stelt dat zij altijd volgens het door werkgeefster vastgestelde rooster heeft gewerkt en nooit daadwerkelijk in de gelegenheid is gesteld om minuren in te halen. Zij is het daarom niet eens met de inhouding. Partijen hebben hierover langere tijd gecorrespondeerd zonder resultaat. Bij verstekvonnis van 28 mei 2025 is werkgeefster veroordeeld tot betaling van in totaal € 10.950,95 bruto aan onder meer ingehouden minuren, achterstallig loon, onregelmatigheidstoeslag (ORT), eenmalige uitkering, eindejaarsuitkering en vakantiegeld. Werkgeefster is in verzet gekomen tegen dit verstekvonnis. Zij voert aan dat zij op grond van de cao bevoegd was om de minuren/vermeend te veel opgenomen vakantie‑uren met de eindafrekening te verrekenen, zodat de inhouding van € 4.006,42 bruto terecht was. Werkneemster vordert daarentegen onder meer een verklaring voor recht dat werkgeefster ten onrechte € 4.006,42 bruto aan minuren heeft ingehouden, betaling van € 2.509,72 bruto aan ORT (onderbouwd met een uit het urenregistratiesysteem afgeleid excel‑overzicht) en betaling van diverse looncomponenten: eenmalige uitkering, eindejaarsuitkering, vakantiegeld en het salaris over december 2020.
Oordeel
Ingehouden minuren
De kantonrechter overweegt dat de cao Gehandicaptenzorg onder meer bepaalt dat de werkgever de werknemer in de gelegenheid moet stellen het overeengekomen aantal uren op jaarbasis te werken en dat een tekort aan uren dat door de werkgever niet is gefaciliteerd, niet als vakantie mag worden aangemerkt. Vaststaat dat werkgeefster de roosters maakte en werkneemster structureel voor minder uren inroosterde dan contractueel was overeengekomen. Daarmee heeft werkgeefster haar verantwoordelijkheid als werkgever niet nagekomen. Het enkel openstellen van ‘open diensten’ en het incidenteel kort van tevoren vragen om extra te werken acht de kantonrechter onvoldoende om te kunnen spreken van een reële mogelijkheid voor werkneemster om haar contracturen te halen, temeer nu werkgeefster wist dat werkneemster vanwege haar jonge kinderen beperkt flexibel was. Niet is gebleken dat werkgeefster werkneemster structureel en concreet heeft gewezen op de minuren en de verwachting dat zij extra diensten zou aannemen. Het is daarom niet redelijk de minuren bij het einde van het dienstverband voor rekening van werkneemster te laten komen. De inhouding van € 4.006,42 bruto op de eindafrekening was onterecht. De gevorderde verklaring voor recht wordt toegewezen.
ORT en overige looncomponenten
Met betrekking tot de ORT volgt de kantonrechter werkneemster in haar stellingen. Werkgeefster betwist niet dat werkneemster onregelmatige diensten heeft gewerkt. Werkneemster heeft met productie 22, gebaseerd op Shiftbase, voldoende concreet en inzichtelijk gemaakt welke onregelmatige uren zij in 2019 en 2020 heeft gewerkt en welke ORT‑percentages daarbij horen, leidend tot een totaalbedrag van € 1.113,53 bruto over 2019 en € 1.396,19 bruto over 2020, samen € 2.509,72 bruto. Werkgeefster heeft deze berekening inhoudelijk niet weersproken en haar stelling dat ORT al in uren is verrekend op geen enkele wijze onderbouwd. Bovendien bepaalt de cao dat vergoeding in tijd in plaats van geld alleen mogelijk is als de werknemer daarom verzoekt, hetgeen werkneemster niet heeft gedaan. Voor zover werkgeefster toch in uren heeft vergoed, heeft zij dat zonder bevoegdheid gedaan. De vordering tot betaling van € 2.509,72 bruto aan ORT wordt daarom toegewezen.
De overige looncomponenten – de eenmalige uitkering van € 258,48 bruto, de eindejaarsuitkering van € 1.261,37 bruto, het vakantiegeld van € 816,08 bruto en het salaris over december 2020 van € 1.436,00 bruto – worden eveneens toegewezen, nu werkgeefster daartegen geen afzonderlijk verweer heeft gevoerd. In totaal moet werkgeefster aan werkneemster € 6.281,65 bruto betalen aan deze loonbestanddelen.
