Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Breda), 17 november 2025
ECLI:NL:RBZWB:2025:8204
Feiten
Werkneemster was bij werkgeefster in dienst als schoonmaakster. Op 22 juli 2025 is werkneemster op staande voet ontslagen omdat zij zonder toestemming op vakantie is gegaan. Werkneemster verzoekt om, onder meer, toekenning van de transitievergoeding en een billijke vergoeding.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Werkgeefster heeft werkneemster op staande voet ontslagen omdat zij zonder toestemming met vakantie is gegaan. Werkneemster vroeg toestemming om met ingang van 14 juli 2025 met vakantie te kunnen. Deze toestemming werd geweigerd, omdat het niet uitkwam voor de opdrachtgevers van werkgeefster. Er was niemand om het werk te doen. Werkgeefster heeft werkneemster verzocht om met ingang van 31 juli 2025 op vakantie te gaan. Werkneemster gaf daarop aan al te hebben geboekt en is zonder toestemming op 14 juli 2025 met vakantie gegaan. Werkgeefster heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat in eerdere jaren de ruimte is gegeven om werkneemster conform haar wensen vakantie op te laten nemen, maar dat zij nu zo nalatig was door elk gebrek aan communicatie en het zonder toestemming vertrekken naar haar vakantiebestemming dat de maat vol was. Werkneemster heeft al eerder een schriftelijke waarschuwing gekregen voor het niet opvolgen van aanwijzingen, aldus werkgeefster. De crux zit voor werkgeefster in het feit dat werkneemster toch op vakantie is gegaan zoals zij zelf had gepland terwijl werkgeefster haar duidelijk had gemaakt dat dit niet kon. De kantonrechter heeft begrip voor dit standpunt van werkgeefster. Binnen een onderneming is het niet de bedoeling dat een werknemer zijn eigen gang gaat, zonder zich voldoende rekenschap te geven van dat wat de werkgever van hem vraagt. Dit past niet binnen de gezagsrelatie die er bestaat tussen een werkgever en een werknemer. In dit geval had werkgeefster echter eerst nog een waarschuwing moeten geven, voordat naar het middel van ontslag op staande voet zou worden gegrepen. Daarbij is voor de kantonrechter bepalend dat werkneemster meerdere jaren de ruimte heeft gehad om in de door haar gewenste periode op vakantie te gaan en dat zij dan zelf in vervanging voorzag, zoals zij ook nu had geregeld. Werkgeefster heeft onvoldoende weersproken dat zij het in eerdere jaren goed heeft gevonden zoals werkneemster in de zomer van 2025 heeft gehandeld, of in ieder geval niet heel duidelijk gemaakt dat die handelswijze niet werd geaccepteerd. Er is eerder een schriftelijke waarschuwing verzonden aan werkneemster ter zake van het onderwerp vakantie, maar tijdens de mondelinge behandeling is aangegeven dat dit een andere situatie dan nu aan de orde betrof. Het had op de weg gelegen van werkgeefster om in gesprek te gaan met werkneemster en haar daarin duidelijk aan te geven wat de te volgen procedure ten aanzien van het opnemen van vakantie is, en dat ontslag aan de orde zou komen als werkneemster zich daar een volgende keer niet aan zou houden. Vervolgens zou werkgeefster zich er van moeten verzekeren dat werkneemster een schriftelijke bevestiging van de besproken procedure en consequenties bij niet naleving zou ontvangen. Aan werkneemster wordt een transitievergoeding toegewezen. Er wordt een billijke vergoeding van € 450 toegewezen, omdat werkneemster door de handelswijze van werkgeefster ongeveer een maand aan inkomsten is misgelopen. Omdat de kantonrechter werkgeefster niet kan verplichten een positief getuigschrift af te geven, wordt dat verzoek afgewezen. Werkgeefster wordt in de proceskosten veroordeeld.
