Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgeefster
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Middelburg), 25 november 2025
ECLI:NL:RBZWB:2025:8726
Ontslag op staande voet wegens het niet naleven van de re-integratieverplichtingen houdt geen stand. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden op verzoek van de werknemer.

Feiten

Werkneemster is in 2020 in dienst getreden van werkgeefster als hairstyliste. Begin 2025 heeft werkgeefster ontdekt dat zij werkneemster per ongeluk te weinig loon heeft uitbetaald. Werkneemster heeft zich op 29 april 2025 ziekgemeld. Naar aanleiding van de fout met de loonbetaling is de vader van werkneemster op 6 mei 2025 verhaal komen halen bij werkgeefster. Op 26 mei 2025 is de vader van werkneemster opnieuw verhaal komen halen in de kapsalon. Werkgeefster heeft op 2 juni 2025 telefonisch contact gehad met de inzetbaarheidscoach. Zijn advies luidt om werkneemster uit te nodigen voor een gesprek waarin werkgeefster en werkneemster de werkgerelateerde factoren van de arbeidsongeschiktheid kunnen bespreken. Werkgeefster heeft werkneemster vervolgens op 3 juni 2025 uitgenodigd voor een gesprek op 4 juni 2025. Werkneemster heeft daarop laten weten dat zij niet bij het gesprek aanwezig zal zijn en eerst met de bedrijfsarts zal gaan praten. Daarop heeft werkgeefster een schriftelijke officiële waarschuwing naar werkneemster verstuurd wegens het schenden van haar re-integratieverplichtingen. Op 5 juni 2025 heeft werkneemster per e-mail aan werkgeefster laten weten dat de afspraak met de bedrijfsarts is gepland en dat zij op deze manier voldoet aan haar verplichting om contact te houden. Naar aanleiding van een melding van werkneemster over mogelijk (partner)geweld heeft de politie op 6 juni 2025 (opnieuw) een bezoek gebracht aan de kapsalon van werkgeefster. Op 12 juni 2025 heeft de gemachtigde van werkgeefster werkneemster per e-mail uitgenodigd voor een bespreking op 13 juni 2025 op zijn kantoor. Werkneemster is niet op de bespreking van 13 juni 2025 verschenen. Later die dag heeft werkgeefster werkneemster op staande voet ontslagen.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt.  In de ontslagbrief worden als redenen voor het ontslag aangevoerd (i) dat werkneemster hardnekkig heeft geweigerd te voldoen aan een redelijke opdracht van werkgeefster om telefonisch of persoonlijk contact met haar te hebben over haar re-integratie, (ii) dat werkneemster zonder toestemming van werkgeefster structureel korting heeft verleend aan een van haar klanten, (iii) dat werkneemster heeft nagelaten afstand te nemen van de misdragingen van haar vader op 6 en 26 mei 2025 en (iv) dat werkneemster een valse melding dan wel aangifte van geweld heeft gedaan bij de politie. Vooropgesteld wordt dat het niet naleven van de re-integratieverplichtingen door de werknemer doorgaans geen dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert. De wet voorziet in dergelijke gevallen in een andere, lichtere sanctie: de mogelijkheid om het loon van de werknemer stop te zetten. Die sanctie wordt in beginsel als passend beschouwd. In een specifieke zaak kunnen zich echter feiten en omstandigheden voordoen die een ander oordeel rechtvaardigen. Daar is in dit geval geen sprake van. Niet kan worden vastgesteld dat (i) werkneemster structureel en ongegrond heeft geweigerd met werkgeefster in gesprek te gaan. Verder kan de kantonrechter (ii) niet vaststellen dat werkneemster een van haar klanten structureel te weinig heeft laten betalen. Dat (iii) werkneemster geen afstand heeft genomen van de misdragingen van haar vader kan naar het oordeel van de kantonrechter alleen een dringende reden voor ontslag op staande voet opleveren als die misdragingen zó ernstig zijn dat het ‘gedogen’ daarvan de vertrouwensband en arbeidsrelatie tussen werkgeefster en werkneemster ernstig heeft beschadigd. Daar is in dit geval niet van gebleken. Werkneemster heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat zij zich als gevolg van alle gebeurtenissen onder druk gezet en zelfs onveilig voelde; ook thuis. Daarom heeft zij enige tijd na haar ziekmelding een melding gedaan bij de politie, naar eigen zeggen alleen voor het geval dat er iets met werkgeefster zou gebeuren. Onder deze omstandigheden levert die gedraging (iv) van werkneemster geen dringende reden op voor ontslag op staande voet. Samenvattend levert geen van de aangevoerde gronden voor het ontslag op staande voet op zichzelf een dringende reden op. Ook als die gronden in onderlinge samenhang worden bekeken, heeft werkneemster naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende gedaan of nagelaten om een ontslag op staande voet, met al haar gevolgen, te rechtvaardigen. Tussen partijen staat niet ter discussie dat hun arbeidsverhouding als gevolg van de hiervoor omschreven gebeurtenissen zodanig ernstig en duurzaam verstoord is geraakt, dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk behoort te eindigen. Op verzoek van werkneemster zal de kantonrechter de arbeidsovereenkomst daarom op grond van artikel 7:671c lid 1 BW ontbinden.