Naar boven ↑

Rechtspraak

verzoekster/verweerster B.V.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Lelystad), 10 december 2025
ECLI:NL:RBMNE:2025:6876
De uitzendovereenkomst van werkneemster is van rechtswege geƫindigd, zodat geen recht bestaat op verdere loondoorbetaling. Het verzoek tot loonbetaling wordt afgewezen.

Feiten

Werkneemster is op 23 september 2024, samen met haar man, in dienst getreden bij werkgeefster op basis van een uitzendovereenkomst zonder uitzendbeding met loonuitsluitingsbepaling. De uitzendovereenkomst is aangegaan voor de duur van één week, waarbij deze daarna telkens stilzwijgend kan worden verlengd voor de duur van vier weken. Tijdens het dienstverband is werkneemster door werkgeefster te werk gesteld bij een filiaal van een onderneming. Werkneemster heeft hier gewerkt tot en met 10 oktober 2024. Op die dag zou werkneemster ten val zijn gekomen en heeft zij geen werkzaamheden meer verricht voor werkgeefster. In haar verzoekschrift vraagt werkneemster de kantonrechter de arbeidsovereenkomst te ontbinden en werkgeefster te veroordelen tot betaling van haar loon tot 23 september 2025. Werkgeefster concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring dan wel afwijzing van de verzoeken van werkneemster.

Oordeel

Tijdens de mondelinge behandeling heeft werkneemster haar verzoeken gewijzigd, in die zin dat zij haar verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft ingetrokken. Volgens werkneemster is er op 23 september 2025 inmiddels van rechtswege een einde gekomen aan de arbeidsovereenkomst en bestaat er geen belang meer bij het verzoek tot ontbinding. Werkneemster is in dienst getreden bij werkgeefster op basis van een uitzendovereenkomst voor de duur van één week, die daarna telkens stilzwijgend met perioden van vier weken is verlengd. Volgens werkgeefster is er tot en met 22 december 2024 uitvoering gegeven aan de uitzendovereenkomst. Dit betekent dat werkneemster over deze gehele periode betaald heeft gekregen. Dit betwist werkneemster ook niet. Ook staat vast dat zij na 10 oktober 2024 niet meer heeft gewerkt voor werkgeefster. Werkgeefster voert aan dat er op 22 december 2024 van rechtswege een einde is gekomen aan de uitzendovereenkomst tussen partijen en dat zij hiervoor ook in januari 2025 een eindafrekening met daarbij betaling van de transitievergoeding heeft gestuurd aan werkneemster. Niet goed valt in te zien waarom werkneemster vervolgens acht maanden later alsnog een verzoek indient en zich daarbij op het standpunt stelt dat haar uitzendovereenkomst nog altijd zou voortduren en zij recht zou hebben op loondoorbetaling. Het verzoek van werkneemster tot betaling van het achterstallig loon wordt door de kantonrechter afgewezen. Of er bij werkneemster sprake was van arbeidsongeschiktheid naar aanleiding van een val op 10 oktober 2024, laat de kantonrechter in het midden omdat het niet relevant is voor de beoordeling van deze zaak en werkgeefster daarbij uitdrukkelijk betwist op de hoogte te zijn geweest van eventuele arbeidsongeschiktheid van werkneemster.