Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Zaanstad), 20 november 2025
ECLI:NL:RBNHO:2025:14903
Feiten
Werkneemster was voor 2021 werkzaam bij de eenmanszaak van haar levenspartner X, rechtsvoorganger van VOF Y. Zij werkte als administratief medewerkster en was verantwoordelijk voor de financiële administratie, met een loon van € 3.719 bruto per maand. In juli 2021 is het bedrijf van X gefuseerd met de eenmanszaak van werkgeefster door oprichting van VOF Y, waarin werkgeefster en X vennoten werden. De VOF was drie jaar overeengekomen, waarna het bedrijf volledig overging naar werkgeefster. Per 1 juli 2024 eindigde de VOF en per 1 januari 2025 werd deze ontbonden, waarna de onderneming voortgezet werd als eenmanszaak van werkgeefster. Werkneemster meldde zich op 13 januari 2025 ziek. De bedrijfsarts constateerde een werkgerelateerde klacht met ziektecomponent en adviseerde gesprekken onder begeleiding van een onafhankelijke derde. In maart 2025 nodigde werkgeefster werkneemster uit voor een gesprek over ongebruikelijke betalingen. Werkneemster stemde alleen in met een gesprek onder begeleiding van een mediator. Na correspondentie tussen de gemachtigden van partijen sprak werkgeefster op 18 maart 2025 het ontslag op staande voet uit. Werkneemster verzoekt een billijke vergoeding, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding, stellende dat het ontslag niet rechtsgeldig is. Werkgeefster voert verweer en verzoekt om een gefixeerde schadevergoeding, vergoeding van proceskosten en betaling van schade op grond van een zelfstandig tegenverzoek.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. In de ontslagbrief van 18 maart 2025 heeft werkgeefster meerdere gedragingen aan het ontslag ten grondslag gelegd en gesteld dat deze afzonderlijk en in onderlinge samenhang een dringende reden opleveren. Ten aanzien van het verwijt dat werkneemster zonder toestemming opdracht zou hebben gegeven tot het opstellen van een vaststellingsovereenkomst, oordeelt de kantonrechter dat dit niet is komen vast te staan. Uit de verklaringen ter zitting en de schriftelijke verklaring van de accountant volgt dat werkgeefster zelf bij de accountant informatie heeft ingewonnen. Dit verwijt kan daarom niet aan het ontslag ten grondslag worden gelegd. Ook de gestelde fraude met facturen is onvoldoende komen vast te staan. De door werkgeefster genoemde onregelmatigheden leveren weliswaar vragen op, maar uit de overgelegde stukken volgt niet dat werkneemster zich geld heeft toegeëigend. Evenmin is gebleken van een onafhankelijk boekhoudkundig onderzoek waaruit fraude blijkt. Dit verwijt vormt daarom geen dringende reden. Het verwijt dat werkneemster € 1.000 contant zou hebben weggenomen is ter zitting door werkgeefster ingetrokken en blijft buiten beschouwing.
Anders oordeelt de kantonrechter over het bestellen van onderdelen op naam en kosten van werkgeefster ten behoeve van de privébelangen van X, de levenspartner van werkneemster. Vast staat dat voor een aanzienlijk bedrag onderdelen zijn besteld zonder dat deze aan X zijn doorbelast. Gelet op de functie van werkneemster als administratief medewerkster en haar persoonlijke betrokkenheid bij X, kwalificeert dit handelen als ernstig verwijtbaar en als een dringende reden voor ontslag. Daarnaast acht de kantonrechter bewezen dat werkneemster onjuiste en te hoge bedragen heeft overgemaakt aan X voor door hem als zzp’er verrichte werkzaamheden. De toelichting van werkgeefster dat de gefactureerde uren niet overeenkwamen met de werkorders is door werkneemster onvoldoende weersproken. Ook dit handelen levert een dringende reden op, mede vanwege het persoonlijke belang van werkneemster. Het zwaarst weegt het zonder toestemming, opdracht of medeweten van werkgeefster overboeken van in totaal bijna € 53.000 aan X. Vast staat dat werkneemster deze betalingen zelfstandig heeft verricht, terwijl de vennootschap per 1 juli 2024 was geëindigd en werkgeefster enig eigenaar van het bedrijf was geworden. Werkneemster heeft haar bevoegdheden hiermee overschreden. Dat X volgens haar nog recht zou hebben gehad op kapitaal, doet hieraan niet af. Het was niet aan werkneemster om hierover te beslissen of betalingen te verrichten, temeer nu er sprake was van een duidelijke belangenverstrengeling. De wijze, spreiding en timing van de betalingen versterken het oordeel dat er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen. De kantonrechter concludeert dat het bestellen van privéonderdelen voor X, het overmaken van onjuiste en te hoge bedragen voor diens werkzaamheden en het zonder toestemming overboeken van circa € 53.000, ieder voor zich en in onderlinge samenhang, een dringende reden vormen. Van werkgeefster kon redelijkerwijs niet worden gevergd de arbeidsovereenkomst voort te zetten. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag onverwijld is gegeven. Werkgeefster heeft na het ontstaan van vermoedens onderzoek laten verrichten, werkneemster in de gelegenheid gesteld te reageren en juridisch advies in te winnen en vervolgens voortvarend gehandeld. Dat tussen de eerste signalen en het ontslag enige tijd is verstreken, is gerechtvaardigd door de noodzakelijke zorgvuldigheid.
Vergoedingen
Nu het ontslag op staande voet rechtsgeldig is, worden de verzoeken van werkneemster om een billijke vergoeding, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding afgewezen. Het einde van de arbeidsovereenkomst is het gevolg van ernstig verwijtbaar handelen van werkneemster. Werkgeefster heeft recht op een gefixeerde schadevergoeding, nu werkneemster door opzet of bewuste roekeloosheid een dringende reden heeft gegeven voor ontslag. De hoogte van de vergoeding, gelijk aan het loon over de geldende opzegtermijn, is correct berekend. Er bestaat geen aanleiding tot matiging. Verrekening met het nog verschuldigde loon is toegestaan.
Schadevergoeding zelfstandig tegenverzoek
De kantonrechter oordeelt dat werkneemster bij de uitvoering van haar werkzaamheden opzettelijk dan wel bewust roekeloos heeft gehandeld door zonder toestemming grote geldbedragen over te boeken aan haar levenspartner. Zij is daarom aansprakelijk voor de door werkgeefster geleden schade. Werkneemster wordt veroordeeld tot terugbetaling van het overgeboekte bedrag, vermeerderd met wettelijke rente. Dat de financiële afwikkeling tussen de voormalige vennoten nog moet plaatsvinden, doet aan deze aansprakelijkheid niet af.
