Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 16 december 2025
ECLI:NL:GHAMS:2025:3309
Oordeel
Werknemer is op 1 januari 2019 bij de Staat in dienst getreden. Werknemer is arbeidsongeschikt geweest vanaf 14 september 2021. In februari 2023 is hij hersteld gemeld. Bij e-mail van 12 juni 2024 heeft werknemer aan de Staat bericht dat hij zich zowel fysiek als mentaal niet goed voelde en heeft hij zich ziekgemeld. In de rapportage van de bedrijfsarts staat dat werknemer lichte beperkingen heeft en dat de andere klachten deels werkgerelateerd zijn. De bedrijfsarts concludeert dat er vooralsnog onvoldoende aanwijzingen zijn voor het aannemen van een medische aandoening waardoor werknemer zijn werk niet zou kunnen doen. De bedrijfsarts adviseert werknemer om contact op te nemen met zijn behandelaar om uit te zoeken of er sprake is van een medische aandoening en deze zo nodig te behandelen. Ook adviseert de bedrijfsarts werknemer en de Staat om met elkaar in gesprek te gaan over de situatie op het werk. Op basis van voornoemd advies van de bedrijfsarts heeft de Staat werknemer per 8 juli 2024 hersteld gemeld. Op 8 en 9 juli 2024 heeft de Staat vergeefs geprobeerd werknemer telefonisch te bereiken. Werknemer heeft bij e-mail van 9 juli 2024 aan de Staat laten weten dat hij niet snapt waarom er van hem gevraagd wordt te komen werken, dat hij ziek is en dat de arbodienst niet bekwaam genoeg is om een duidelijke diagnose te stellen. Tussen partijen is vervolgens gecorrespondeerd, maar werknemer heeft aangegeven geen mogelijkheden te zien om te werken. De Staat heeft vervolgens geregeld dat werknemer op consult kon komen bij een andere bedrijfsarts voor een second opinion. Dat consult zou plaatsvinden op 23 juli 2024. Werknemer heeft echter bij e-mail van 22 juli 2024 aan de Staat meegedeeld dat hij niet in staat is zijn verhaal aan een andere arts te vertellen. Hij heeft aangegeven verlof te willen opnemen om te herstellen. Bij brief van 29 juli 2024 heeft de Staat aangegeven dat hij uitgaat van de juistheid van het advies van de bedrijfsarts van 4 juli 2024. Niet-gewerkte uren zouden worden aangemerkt als genoten verlofuren. Verder heeft de Staat werknemer uitgenodigd voor een gesprek op 2 augustus 2024. Werknemer is niet verschenen. Bij brief van 27 augustus 2024 heeft de Staat aan werknemer meegedeeld dat hij geen verlofuren meer over heeft en dat hij zijn werk per direct zal moeten hervatten. Werknemer is op de voorgestelde datum voor een gesprek zonder bericht niet verschenen. Bij brief van 3 september 2024 heeft de Staat aan werknemer meegedeeld dat zijn loon met ingang van 3 september 2024 wordt stopgezet op grond van artikel 7:628 lid 1 BW, totdat werknemer weer aan zijn verplichtingen voldoet. Bij brief van 13 september 2024 heeft de Staat werknemer een laatste kans geboden om op gesprek te komen op 18 september 2024. Daarbij heeft de Staat meegedeeld dat als werknemer wederom niet verschijnt, hij er rekening mee moet houden dat zijn arbeidsovereenkomst wegens werkweigering wordt beëindigd. Werknemer is zonder bericht niet op het gesprek verschenen. Bij brief van 19 september 2024 heeft de Staat werknemer op staande voet ontslagen. Op 31 oktober 2024 heeft werknemer een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV over de vraag of hij zijn eigen werk weer volledig kan doen. In de sociaal-medische beoordeling van het UWV van 11 september 2025 heeft het UWV op verzoek van de Staat geconcludeerd dat werknemer per geschildatum van 12 juni 2025 (waarmee het hof begrijpt: 12 juni 2024) geschikt te achten is voor het uitvoeren van de bedongen arbeid omdat ongeschiktheid als direct gevolg van ziekte per die datum niet kan worden geobjectiveerd. Werknemer heeft in eerste aanleg verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van het geding de Staat te veroordelen tot doorbetaling van zijn salaris en om de opzegging te vernietigen. De kantonrechter heeft de verzoeken van werknemer afgewezen. Werknemer komt tegen de beslissingen in hoger beroep.
Oordeel
Het hof oordeelt dat de Staat in het proces dat heeft geleid tot het ontslag op staande voet steeds voortvarend heeft gehandeld. Daarmee is aan het vereiste van onverwijldheid voldaan. Blijkens de ontslagbrief van 19 september 2024 is de reden voor het ontslag op staande voet gelegen in het feit dat werknemer herhaaldelijk, zonder voor de Staat kenbare geldige reden, niet is verschenen op gesprekken over zijn werkhervatting, ondanks een laatste waarschuwing bij brief van 13 september 2024. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat vaststaat dat werknemer in de periode vanaf de betermelding op 8 juli 2024 tot aan de datum van het ontslag op staande voet herhaaldelijk door de Staat is opgeroepen om een gesprek te komen voeren over werkhervatting en dat werknemer toen telkens niet is verschenen. Een onverplicht aangeboden second opinion heeft werknemer geweigerd. Als een werknemer hardnekkig weigert te voldoen aan redelijke bevelen of opdrachten van de werkgever dan kan dit volgens artikel 7:678 lid 2 onder j BW als een dringende reden voor ontslag op staande voet worden aangemerkt. Werknemer heeft in eerste aanleg en ook in hoger beroep geen objectieve medische gegevens overgelegd waaruit gebleken is dat zijn ontwijkende gedrag te wijten is aan zijn medische toestand. In hoger beroep heeft werknemer een verzekeringsgeneeskundige rapportage van het UWV van 11 september 2025 overgelegd, met als vraagstelling of hij per 12 juni 2024 geschikt was voor het uitvoeren van de bedongen arbeid. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat werknemer per die datum geschikt is te achten voor het uitvoeren van de bedongen arbeid, omdat ongeschiktheid als direct gevolg van ziekte niet kan worden geobjectiveerd. Het eindigen van de arbeidsovereenkomst is het gevolg van nalaten van werknemer dat als ernstig verwijtbaar moet worden gekwalificeerd, waardoor geen transitievergoeding is verschuldigd.
