Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgever
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 9 december 2025
ECLI:NL:RBROT:2025:14262
Loonvordering van advocaat-stagiair wordt afgewezen. Loonstop is terecht opgelegd in verband met weigering mediation.

Feiten

Werkneemster werkt sinds 1 april 2024 bij werkgever als advocaat-stagiair. Werkgever heeft werkneemster een loonstop opgelegd. De loonstop wordt bij e-mail van 28 juli 2025 aan werkneemster gecommuniceerd en geeft als reden dat werkneemster niet heeft bevestigd dat zij aan mediation zal meewerken. Werkgever schrijft dat het loon wordt stopgezet tot het moment dat zij alsnog meewerkt aan mediation. De loonstop is doorgevoerd voor het loon over de maand augustus en tot 17 september 2025. Vanaf laatstgenoemde datum heeft werkgever de loonbetaling hervat. Werkgever schrijft op 8 oktober 2025 aan werkneemster dat de raad van de orde van advocaten goedkeuring heeft gegeven voor het beëindigen van de stage gezien het ontbreken van het vereiste vertrouwen en gelet op het gedrag van werkneemster richting werkgever. Zodoende wordt de stage opgezegd met ingang van 9 oktober 2025. Werkneemster vordert onder meer betaling van het loon en een schadevergoeding.

Oordeel

Werkgever schrijft op 28 juli 2025 aan werkneemster dat betaling van haar loon vanaf die dag stopgezet wordt. De reden voor werkgever is dat werkneemster weigert mee te werken aan mediation. Werkneemster stelt dat zij gelet op haar medische situatie niet aan mediation kón meewerken. Dat dit zo is, heeft zij echter onvoldoende onderbouwd om in deze kortgedingprocedure tot het oordeel te kunnen komen dat de medische situatie van werkneemster zodanig was dat van haar niet kon worden verlangd om aan mediation mee te werken. De kantonrechter is voorshands van oordeel dat tegen de achtergrond van de ernstig verstoorde arbeidsverhouding, zoals hierna te beschrijven, het begrijpelijk is dat werkgever er geen vertrouwen meer in had dat op dat moment met een enkel gesprek met werkneemster de verhoudingen nog zouden kunnen worden vlotgetrokken. Daarom was het verzoek van werkgever aan werkneemster om mee te werken aan mediation een redelijk re-integratievoorschrift. Het standpunt van werkneemster, dat pas van haar kon worden verlangd dat zij zou meewerken aan mediation als het door de bedrijfsarts op 16 juli 2025 geadviseerde gesprek niet zou leiden tot herstel van de verhoudingen, miskent dat de bedrijfsarts een maand eerder al mediation had geadviseerd en dat de arbeidsverhouding inmiddels al zeer ernstig verstoord was. Er was kortom sprake van een ernstig verstoorde arbeidsrelatie en mediation was een redelijk re-integratievoorschrift. Als werkneemster zichzelf daartoe niet in staat achtte, had zij daarover aan het UWV een deskundigenverklaring kunnen vragen. Een dergelijke verklaring is weliswaar niet verplicht in kort geding, zo volgt uit de wetsgeschiedenis en heeft de Hoge Raad ook bevestigd, maar het ligt wel op de weg van werkneemster om tegenover de adviezen van de bedrijfsarts waarin mediation wordt geadviseerd, te onderbouwen dat dit niet van haar kon worden verlangd. De kantonrechter merkt verder op dat de voorwaarden die werkneemster stelde aan het voortzetten van haar stage bij werkgever, te weten een andere patroon, alleen maar thuiswerken en niet meer met ‘haar pesters’ in aanraking komen, niet passen bij een opleidingsfunctie als advocaat-stagiair. Naar de kantonrechter begrijpt, stelt werkneemster zich op het standpunt dat dit redelijke voorwaarden waren en dat, als werkgever aan deze voorwaarden zou hebben voldaan, mediation niet (meer) nodig was. Werkgever heeft zich naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter terecht op het standpunt gesteld dat aanwezigheid op kantoor is vereist voor een opleidingsfunctie als advocaat-stagiair en dat die rol ook een professionele en werkbare relatie met collega’s vergt. De kantonrechter is op grond van wat in dit kort geding aan haar is voorgelegd voorshands van oordeel dat de loonstop terecht is. Dat werkgever mediation wilde, is in de gegeven situatie een redelijk voorschrift en dat werkgever geen vertrouwen meer had in een gesprek met werkneemster is begrijpelijk. Dat werkneemster niet in staat was deel te nemen aan mediation stelt zij wel, maar het is onvoldoende aannemelijk geworden. Werkgever heeft na de goedkeuring door de raad (objectieve toets) een beroep op de ontbindende voorwaarde in de arbeidsovereenkomst gedaan. Wat werkneemster aan loon vordert, is dus niet toewijsbaar. Voor het aanpassen van loonstroken en het verstrekken daarvan aan werkneemster is daarom geen aanleiding. Een rechtsgrond om werkgever te veroordelen aan werkneemster een schadevergoeding te betalen of een voorschot daarop ziet de kantonrechter evenmin.