Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 5 november 2025
ECLI:NL:RBLIM:2025:11409
Feiten
Werknemer is op is op 1 april 2023 in dienst getreden bij EEG, aanvankelijk voor bepaalde tijd, per juli 2024 omgezet in onbepaalde tijd. Hij werkte als businessanalist, zowel thuis als op kantoor in Maastricht. Op 18 september 2024 vroeg hij twee weken betaald en vier weken onbetaald verlof aan. EEG stemde onder voorwaarden in en wees op ondermaatse prestaties en het voornemen een persoonlijk verbeterplan op te stellen. Werknemer trok het verzoek in, wilde alleen betaald verlof en weigerde het document te ondertekenen vanwege vermeende juridische gevolgen. EEG bleef bij haar eerdere beoordeling. Werknemer liet weten dat ondertekening juridische gevolgen kon hebben die nadelig voor hem waren en dat hij dit niet redelijk achtte. In november 2024 en januari 2025 wees EEG werknemer herhaaldelijk op afwezigheid zonder voorafgaande melding, last-minute aanpassingen in de agenda, geweigerde meetings en het niet opvolgen van de instructie om zich telefonisch ziek te melden. Op 26 februari 2025 verbood EEG werknemer thuis te werken vanwege zorgen over werkoutput, inconsistentie in aanwezigheid en onduidelijkheid over zijn beschikbaarheid. Op 27 februari 2025 voerde EEG een gesprek met werknemer over de omvang en kwaliteit van zijn werk en over zijn werkhouding. Werknemer overhandigde een medische verklaring waarin werd vastgesteld dat hij sinds jaren werd behandeld voor ADHS en een Aspergerdiagnose en verwees naar uitspraken van het College voor de Rechten van de Mens over werknemers met een beperking. Op 31 maart 2025 wees EEG het verzoek van werknemer om thuis te werken af en gaf zij aan zich zorgen te maken over de werkomgeving en het late moment van disclosure van beperkingen. Op diezelfde dag werd werknemer geïnformeerd dat EEG de arbeidsovereenkomst wilde beëindigen en werd hij per direct vrijgesteld van werkzaamheden. Op 9 april 2025 meldde werknemer zich ziek en verhuisde terug naar Duitsland, schreef zich uit in Nederland en overhandigde een Duitse arbeidsongeschiktheidsverklaring. De arbodienst nodigde werknemer uit voor gesprekken op 30 april en 6 mei 2025. Werknemer meldde zich verhinderd voor 30 april en verscheen niet op 6 mei. Op 16 mei 2025 gaf EEG werknemer op staande voet ontslag wegens dringende reden, verwijzend naar zijn ziekmelding gevolgd door verhuizing, niet-naleving van re-integratieverplichtingen, afwezigheid en gebrekkige communicatie. EEG betaalde alsnog het loon van april en mei 2025 en de transitievergoeding. Werknemer verzocht op 20 mei 2025 het ontslag op staande voet in te trekken, waarop EEG niet reageerde.
Werknemer verzoekt de rechter om voorlopige voorzieningen. Hij verzoekt te verklaren dat de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd en nog steeds voortduurt, althans het ontslag op staande voet te vernietigen. Daarnaast verzoekt hij dat EEG hem binnen 24 uur na betekening weer tot de overeengekomen werkzaamheden toelaat zodra hij hersteld is, tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig eindigt, op straffe van een dwangsom. Verder verzoekt hij EEG te veroordelen tot betaling van het loon vanaf 16 mei 2025 tot het rechtsgeldig einde van het dienstverband, vermeerderd met de wettelijke verhoging en rente, onder verrekening van het reeds betaalde loon over mei 2025. Ook verzoekt hij om vergoeding van de proces- en nakosten. EEG voert verweer en stelt dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. Voor het geval de kantonrechter het ontslag vernietigt, verzoekt EEG de arbeidsovereenkomst zo snel mogelijk te ontbinden. Werknemer voert verweer tegen dit voorwaardelijke verzoek en stelt dat er geen grond voor ontbinding bestaat. Mocht die grond er wel zijn, dan verzoekt hij om toekenning van de transitievergoeding en een billijke vergoeding van € 100.000 bruto.
Oordeel
De kantonrechter overweegt dat er geen reden is om voorlopige voorzieningen toe te wijzen, omdat op alle onderdelen een eindbeslissing wordt genomen en werknemer geen verder belang heeft bij de voorlopige maatregelen. Het verzoek van werknemer om voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd, wordt afgewezen, omdat deze feitelijk op 16 mei 2025 is geëindigd. Het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet wordt toegewezen, omdat het ontslag niet onverwijld is gegeven. Werkgever kende de dringende redenen al geruime tijd, sinds april 2025 en heeft pas twee weken later het ontslag op staande voet gegeven. Het verweer van werkgever dat de e-mail van 12 mei 2025 pas op 15 mei 2025 ontvangen zou zijn en tot vertrouwensbreuk zou leiden, slaagt niet, omdat daarin geen nieuw standpunt werd ingenomen. Het verzoek tot wedertewerkstelling wordt afgewezen, omdat arbeidsovereenkomst wordt ontbonden op verzoek van werkgever wegens verwijtbaar gedrag van werknemer. Na ziekmelding verhuist werknemer plotseling naar Duitsland, op zes uur afstand van de vestiging van werkgever en weigert mee te werken aan re-integratie, terwijl ziekte dit niet verhinderde. Hierdoor is het voor werkgever redelijkerwijs ondoenlijk om de arbeidsovereenkomst voort te zetten. Het beroep van werknemer op het opzegverbod wegens ziekte en op beperkingen slaagt niet, omdat deze beperkingen hem niet hebben gehinderd in functioneren bij werkgever en geen acute noodzaak tot verhuizing rechtvaardigen. Ook het argument dat het verhuisgedrag voortvloeit uit beperkingen die werknemer pas in februari 2025 meldde, overtuigt de kantonrechter niet. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden wegens verwijtbaar handelen van werknemer en er wordt geen billijke vergoeding toegekend. Werknemer heeft recht op doorbetaling van loon vanaf 1 juni 2025 tot het einde van de arbeidsovereenkomst, inclusief 70% van het loon bij arbeidsongeschiktheid, en wettelijke verhoging, met daarbij toekenning van wettelijke rente vanaf de respectieve verzuimdata tot betaling. De einddatum van de arbeidsovereenkomst wordt vastgesteld op 31 december 2025. Werknemer heeft recht op een transitievergoeding over de periode 1 april 2023 tot 31 december 2025, waarbij het reeds door werkgever betaalde bedrag van € 3.483,78 wordt verrekend. De proceskosten en eventuele nakosten worden over en weer gecompenseerd, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.
