Rechtspraak
Rechtbank Gelderland (Locatie Nijmegen), 24 oktober 2025
ECLI:NL:RBGEL:2025:9455
Feiten
Werknemer is per 18 april 2017 in dienst getreden bij Stichting Sint Maartenskliniek (hierna: SSM) in de functie van strategisch inkoper. Op 15 mei 2022 is hij daarnaast benoemd als afdelingshoofd inkoop en logistiek. In februari 2023 heeft werknemer een anonieme brief ontvangen waarin een aantal werknemers hem intimiderend gedrag verweten. Naar aanleiding van die brief is een discussie ontstaan, die uiteindelijk tot een ziekmelding door werknemer heeft geleid. Er heeft mediation plaatsgevonden, die is beëindigd. Na verdere gesprekken is werknemer in mei 2024 uit zijn functie ontheven. SMK verzoekt primair ontbinding op de e-grond. SMK legt primair ernstig verwijtbaar handelen aan het verzoek ten grondslag. Zij rekent werknemer aan dat hij zich intimiderend en (grensoverschrijdend) dreigend heeft gedragen jegens medewerkers van de afdeling inkoop en logistiek. Daarbij baseert zij zich op de anonieme brief van meerdere medewerkers van de afdeling van 24 februari 2023, de uitkomsten van het onderzoek van februari 2024 en 26 maart 2024 door Development Room en het medewerkersbelevingsonderzoek van april 2024. Er zijn pogingen ondernomen om de situatie te verbeteren, maar die hebben niets opgeleverd. Werknemer stelt dat het ontbindingsverzoek moet worden afgewezen.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Niet ter discussie staat dat de verhoudingen op de afdeling, zowel onderling als ten opzichte van het management, voor de komst van werknemer al slecht waren. De opdracht aan werknemer was (nu juist) het team weer bij elkaar te rapen en uit te voeren waar het team voor staat. Niet ter discussie staat dat de verhoudingen op de afdeling, zowel onderling als ten opzichte van het management, voor de komst van werknemer al slecht waren. Tegen de hiervoor geschetste achtergrond van een grillige sfeer op de afdeling naar aanleiding van met name ook de aansturing van hogerhand dient de wijze waarop werknemer invulling heeft gegeven aan zijn taak als afdelingshoofd beschouwd te worden. Dat werknemer daarop wijst, is anders dan SMK hem verwijt, geen kwestie van externalisatie van de problematiek en ook geen teken van gebrek aan zelfreflectie. Het is de context waarbinnen werknemer als afdelingshoofd diende te functioneren. Werknemer is afgebrand op de rol van afdelingshoofd, die hij eigenlijk niet wilde vervullen maar toch heeft aangenomen. Hij bleek niet de juiste man op de juiste plek. Partijen zijn het daarover eens. Niet ingezien kan worden waarom het vertrouwen in werknemer als strategisch inkoper door de gang van zaken, die onlosmakelijk verbonden is met de uit te voeren leidinggevende taak, al bij voorbaat geschaad zou zijn. Een dergelijk wantrouwen is niet, althans onvoldoende gestaafd. Er zijn verder geen klachten over werknemer aangedragen in de jarenlange periode dat hij als zodanig werkzaam was. Werknemers stelling dat hij een goede verstandhouding met collega’s heeft, is niet, althans onvoldoende weersproken. Vanuit werknemer kan begrepen worden dat hij een groot belang heeft bij wedertewerkstelling, zodat hij mede gelet op zijn ziektegeschiedenis, kan ondervinden of hij weer in staat is om volwaardig aan de slag te gaan. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat SMK op de door haar ingestelde primaire, subsidiaire en meer subsidiaire aangevoerde grondslagen tekortschiet. Dat betekent dat het verzoek wordt afgewezen en de arbeidsovereenkomst niet wordt ontbonden. SMK wordt in de proceskosten veroordeeld.
