Rechtspraak
Feiten
X is volgens zijn arbeidsovereenkomst per 1 augustus 2024 in dienst getreden van A GmbH tegen een nettosalaris van € 7.600 en een provisie van 1,25% over gerealiseerde omzet. De arbeidsovereenkomst is op 28 mei 2024 ondertekend door X en namens B GmbH. Het salaris werd meestal door B GmbH uitbetaald en ook enkele malen door A GmbH. Een van de taken van X was het opzetten van een vestiging in Nederland. In verband daarmee heeft X daarna C BV opgericht met hemzelf als statutair directeur. X heeft daarna nog betalingen van B GmbH ontvangen. X heeft na de oprichting een schriftelijke arbeidsovereenkomst tussen hem en C BV aan GmbH A en B voorgelegd en verzocht deze te ondertekenen. Dat is niet gedaan. X verrichtte zijn werkzaamheden voornamelijk in of vanuit Nederland. Bij brief van 20 augustus 2025 heeft X het dienstverband met onmiddellijke ingang opgezegd vanwege een dringende reden, namelijk het niet, althans niet tijdig, betalen van zijn salaris en onkosten. Volgens X zijn alle vennootschappen hoofdelijk aansprakelijk al dan niet via vereenzelviging. Volgens de vennootschappen was alleen C BV de werkgever en was X zelf verantwoordelijk voor tijdige betaling van zijn salaris. Van vereenzelviging is geen sprake.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt.
Ontoereikende volmacht voor aangaan arbeidsovereenkomst met rechtspersoon mag niet aan werknemer worden tegengeworpen (art. 3:61 BW)
Vaststaat dat er een arbeidsovereenkomst is opgesteld waarin A GmbH als werkgever is genoemd. De arbeidsovereenkomst is ondertekend namens ‘B’. A en B hebben daarover ter zitting aangevoerd dat dhr. Z niet bevoegd was de arbeidsovereenkomst te tekenen. Y was destijds directeur en hij was niet van de arbeidsovereenkomst op de hoogte. De kantonrechter passeert dit verweer. In artikel 3:61 lid 2 BW is immers bepaald dat als een rechtshandeling in naam van een ander is verricht, tegen de wederpartij (dat is X in dit geval), die op grond van een verklaring of gedraging van die ander heeft aangenomen en onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend, op de onjuistheid van deze veronderstelling geen beroep kan worden gedaan. Vaststaat dat X na het tekenen van de arbeidsovereenkomst voor A GmbH aan het werk is gegaan en ook een aantal keren salaris van A GmbH heeft ontvangen. Op grond daarvan heeft X er gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat een geldige arbeidsovereenkomst met A GmbH tot stand is gekomen en kan op een eventuele onbevoegde ondertekening geen beroep worden gedaan. Dat wordt niet anders doordat het salaris ook een aantal keren is betaald door B GmbH. Een eventuele rolwisseling tussen aan elkaar gelieerde rechtspersonen mag niet ten nadele van een werknemer gelden. Weliswaar staat vast dat partijen de bedoeling hebben gehad dat er aansluitend een arbeidsovereenkomst met C BV zou komen maar die is niet gerealiseerd. X heeft een conceptarbeidsovereenkomst ter tekening aan A GmbH voorgelegd. Die heeft de overeenkomst nooit getekend en bovendien nadien nog (deelbetalingen van) loon betaald.
Geen sprake van vereenzelviging
A GmbH moet als werkgever worden aangemerkt. Het beroep op vereenzelviging slaagt niet. Vereenzelviging van betrokken rechtspersonen kan alleen in uitzonderlijke omstandigheden worden aangenomen. Daarvoor is nodig dat sprake is van misbruik van identiteitsverschil tussen rechtspersonen. Het enkele feit dat het salaris af en toe door B GmbH werd uitbetaald is onvoldoende om misbruik aan te nemen.
Ontslag op staande voet door werknemer genomen biedt geen grondslag voor een billijke vergoeding
X heeft rechtsgeldig een ontslag op staande voet genomen. Werkgever heeft stelselmatig te laat en te weinig loon betaald. Aan X komt naast achterstallig loon ook een gefixeerde schadevergoeding toe (€ 20.222,01 bruto). X verzoekt daarnaast om hem een billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen van A GmbH toe te kennen. De wet biedt hiervoor echter geen ruimte. Indien X voor een billijke vergoeding in aanmerking had willen komen had hij - in plaats van ontslag op staande voet te nemen - een ontbindingsverzoek op grond van artikel 7:671c BW, dat deze grondslag wel biedt, kunnen indienen. Op grond van artikel 7:677 lid 5 onder b BW is het wel mogelijk om de gefixeerde schadevergoeding op een hoger bedrag te stellen als de opzegging door de werknemer geschiedt en dit naar de omstandigheden billijk voorkomt. De kantonrechter ziet daartoe echter onvoldoende aanleiding. Het is weliswaar ernstig verwijtbaar om het salaris te laat te betalen en onkostenvergoedingen niet te voldoen maar daarvoor biedt de gefixeerde schadevergoeding al compensatie.
