Naar boven ↑

Rechtspraak

Werknemer die twee keer aanbod voor vaste arbeidsomvang weigert, kan daarna loon vorderen met beroep op rechtsvermoeden arbeidsomvang (art. 7:610b BW), ook met terugwerkende kracht. Rechtsvermoeden arbeidsomvang en ‘vastklikregeling’ bestaan naast elkaar.

Feiten

Werknemer is in juli 2017 als oproepkracht in dienst getreden bij Taxiwerq Administratieve Diensten B.V. (hierna: Taxiwerq) in de functie van taxichauffeur. Taxiwerq is een payrollbedrijf voor taxichauffeurs. De taxichauffeurs worden tewerkgesteld bij taxibedrijven. Sinds 6 juli 2019 bestond tussen partijen een nulurencontract voor onbepaalde tijd. Taxiwerq heeft werknemer twee keer een aanbod gedaan om een vaste urenomvang in de arbeidsovereenkomst op te nemen. Beide aanbiedingen heeft werknemer afgewezen, waardoor hij in dienst bleef op basis van een nulurencontract. Bij brief van 30 april 2021 heeft werknemer Taxiwerq gevraagd om, met terugwerkende kracht, vanaf 16 maart 2020 loon over 42,5 uren per maand uit te betalen. Partijen zijn per 1 mei 2022 een urenomvang van 30 uur per maand overeengekomen. Sindsdien is werknemer bij Taxiwerq niet meer werkzaam op basis van een nulurencontract. Werknemer vordert in deze procedure – met een beroep op het rechtsvermoeden van arbeidsomvang van artikel 7:610b BW – veroordeling van Taxiwerq tot betaling van het loon met emolumenten vanaf 3 augustus 2020 tot 1 juli 2021 berekend over een urenomvang van 42,5 uur per maand. De kantonrechter heeft de vordering toegewezen over de periode vanaf 30 april 2021, de datum waarop werknemer een beroep op het rechtsvermoeden deed. Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. Het hof is van oordeel dat de omstandigheid dat werknemer niet is ingegaan op de aanbiedingen voor een vaste arbeidsomvang in de gegeven omstandigheden meebrengt dat hem geen loon toekomt over de periode voorafgaande aan zijn beroep op het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW. Werknemer heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.

Oordeel

De Hoge Raad oordeelt als volgt. Artikel 7:610b BW bepaalt dat indien een arbeidsovereenkomst ten minste drie maanden heeft geduurd, de bedongen arbeid in enige maand wordt vermoed een omvang te hebben gelijk aan de gemiddelde omvang van de arbeid per maand in de drie voorafgaande maanden. Een geslaagd beroep op het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW heeft tot gevolg dat de arbeidsovereenkomst een bepaalde arbeidsomvang inhoudt. Een verzoek tot vaststelling van het aantal werkuren aan de hand van dit rechtsvermoeden kan ook worden toegewezen met ingang van een datum vóór die van de indiening van dat verzoek. Met het weerlegbare rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW is beoogd de positie van de werknemer te versterken en wordt de werkgever gestimuleerd om onzekere elementen in de aan te gane arbeidsverhouding te voorkomen. Artikel 7:628a lid 5 BW bepaalt dat indien sprake is van een oproepovereenkomst, de werkgever steeds als de arbeidsovereenkomst twaalf maanden heeft geduurd, binnen een maand een aanbod doet voor een vaste arbeidsomvang. Dit aanbod dient volgens artikel 7:628a lid 5 BW ten minste gelijk te zijn aan de gemiddelde omvang van de arbeid in die voorafgaande periode van twaalf maanden, en betreft een vaste arbeidsomvang die uiterlijk ingaat op de eerste dag nadat twee maanden zijn verstreken steeds nadat de arbeidsovereenkomst twaalf maanden heeft geduurd. De termijn voor aanvaarding van het aanbod bedraagt een maand. Gedurende de periode waarin de werkgever de in artikel 7:628a lid 5 BW genoemde verplichting niet is nagekomen, heeft de werknemer recht op loon over de arbeidsomvang waarvoor de werkgever een aanbod had moeten doen (art. 7:628a lid 8 BW). Met deze ‘vastklikregeling’ is beoogd de positie van oproepkrachten te versterken en hun meer inkomenszekerheid te bieden. Blijkens de parlementaire geschiedenis bestaan het hiervoor genoemde rechtsvermoeden en de genoemde ‘vastklikregeling’ naast elkaar. De verplichting van de werkgever zoals neergelegd in artikel 7:628a lid 5 BW werkt aanvullend op het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW en de vastklikregeling doet dan ook geen afbreuk aan de mogelijkheid van de werknemer om een beroep te doen op het rechtsvermoeden neergelegd in artikel 7:610b BW. Zo kan de werknemer bijvoorbeeld een beroep doen op het rechtsvermoeden als hij het aanbod van de werkgever op grond van artikel 7:628a lid 5 BW niet heeft geaccepteerd. Dit strookt met de doelstelling van beide bepalingen om de positie van de werknemer te versterken. De parlementaire geschiedenis bevat geen aanknopingspunten voor de opvatting dat in dat geval het rechtsvermoeden slechts werkt vanaf het moment waarop de werknemer zich daarop beroept.

Het hof heeft geoordeeld dat werknemer geen beroep met terugwerkende kracht toekomt op het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW. Het heeft daarvoor redengevend geacht dat werknemer niet is ingegaan op de aanbiedingen van Taxiwerq voor een vaste arbeidsomvang, met name niet op het tweede aanbod in december 2020. Daarmee is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen, doet de regeling van artikel 7:628a lid 5 BW geen afbreuk aan de mogelijkheid van de werknemer een beroep te doen op het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW als de werknemer op een aanbod voor een vaste arbeidsomvang niet is ingegaan, en ook niet aan de mogelijkheid dat met terugwerkende kracht te doen. De klachten van werknemer op dit punt slagen. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing.