Rechtspraak
Feiten
Werknemer is in juni 2011 in dienst getreden van Deme Offshore NL B.V. (hierna: Deme Offshore) en heeft tegen 1 oktober 2017 zijn arbeidsovereenkomst opgezegd. Op 1 maart 2018 is werknemer opnieuw bij Deme Offshore in dienst getreden. Tussen partijen is verschil van mening ontstaan over de functie van werknemer en over uitzending naar het buitenland. Deme Offshore verzoekt in deze procedure ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst ontbonden vanwege een verstoorde arbeidsverhouding en Deme Offshore veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding van € 12.683,02 bruto. Het hof heeft de beschikking ten aanzien van de transitievergoeding vernietigd, een transitievergoeding toegewezen van € 14.346,37 bruto en de beschikking van de kantonrechter voor het overige bekrachtigd. Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst terecht op de g-grond ontbonden en dient, anders dan werknemer betoogt, bij de berekening van de transitievergoeding het eerdere dienstverband van werknemer bij Deme Offshore niet te worden betrokken, omdat dit op initiatief van werknemer is beëindigd. Werknemer heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Oordeel
De Hoge Raad oordeelt als volgt. De transitievergoeding is een geldbedrag dat de werkgever verschuldigd is aan de werknemer indien, kort gezegd, de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever of als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever wordt beëindigd (art. 7:673 lid 1 BW). De transitievergoeding is enerzijds bedoeld als compensatie voor de gevolgen van het ontslag en anderzijds om de werknemer met behulp van de hiermee gemoeide financiële middelen in staat te stellen de transitie naar een andere baan te vergemakkelijken. De hoogte van de transitievergoeding is mede afhankelijk van de duur van de beëindigde arbeidsovereenkomst: voor elk jaar dat de arbeidsovereenkomst heeft geduurd is een derde van het brutomaandsalaris verschuldigd (art. 7:673 lid 2 BW). Artikel 7:673 lid 4 aanhef en onder b BW bepaalt, voor zover in deze zaak van belang, dat in dit kader voor de berekening van de duur van de arbeidsovereenkomst een of meer voorafgaande arbeidsovereenkomsten tussen dezelfde partijen die elkaar met tussenpozen van ten hoogste zes maanden hebben opgevolgd, worden samengeteld (de ‘samentellingsregel’).
Het onderdeel berust op de opvatting dat artikel 7:673 lid 4 aanhef en onder b BW meebrengt dat ook een voorafgaande arbeidsovereenkomst tussen dezelfde partijen die op initiatief van de werknemer is beëindigd (zonder dat sprake was van ernstig verwijtbaar gedrag van de werkgever) meetelt bij de berekening van de transitievergoeding. Die opvatting strookt echter niet met de hiervoor weergegeven ratio van de transitievergoeding en de op die ratio gebaseerde regel dat de transitievergoeding slechts verschuldigd is als de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever of als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever wordt beëindigd. Die opvatting strookt evenmin met de opmerking in de wetsgeschiedenis met betrekking tot de tweede volzin van artikel 7:673 lid 4 aanhef en onder b BW – die ziet op het geval dat de werknemer achtereenvolgens in dienst is geweest van verschillende werkgevers die geacht moeten worden elkaars opvolgers te zijn – dat de samentellingsregel niet van toepassing is als de werknemer op eigen initiatief dezelfde arbeid bij een andere werkgever is gaan verrichten. Een redelijke wetsuitleg brengt daarom mee dat eerdere arbeidsovereenkomsten die zijn beëindigd op initiatief van de werknemer (zonder dat sprake was van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever) niet worden meegerekend bij de toepassing van artikel 7:673 lid 4 aanhef en onder b BW. Het onderdeel faalt.
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
