Naar boven ↑

Rechtspraak

Hoogheemraadschap van Rijnland/werkneemster
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 25 juli 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:20697
Gebrek aan vermogen tot samenwerking leidt tot voldragen d-grond, maar ontbindingsverzoek strandt omdat Hoogheemraadschap van Rijnland zich onvoldoende heeft ingespannen werkneemster te herplaatsen.

Feiten

Werkneemster is per 1 juli 2017 in dienst getreden bij Hoogheemraadschap van Rijnland (hierna: Rijnland) in de functie van projectleider S10. Sinds 14 oktober 2024 staat werkneemster op non-actief. Er zijn vijf mediationgesprekken gevoerd, zonder resultaat. Rijnland verzoekt ontbinding op de g-grond. De verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst onderbouwt Rijnland aldus dat werkneemster niet zou kunnen samenwerken in teams, met andere medewerkers van Rijnland en ook niet met haar (opeenvolgende) leidinggevenden.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Ontegenzeggelijk is dat samenwerking met andere medewerkers, samenwerking in teams en samenwerking met leidinggevenden een onlosmakelijk onderdeel vormt van de meeste arbeidsovereenkomsten, zeker arbeidsovereenkomsten als die van werkneemster, waarbij het uitgangspunt is dat werkneemster samen met anderen in een team een bepaald resultaat nastreeft. Dat de samenwerking van werkneemster met haar leidinggevenden en haar collega’s niet goed verloopt blijkt wel uit de vele verklaringen. Uit hetgeen verder in deze procedure naar voren is gekomen blijkt voorts dat Rijnland het nodige heeft gedaan om de samenwerking van werkneemster te verbeteren. Zo heeft Rijnland werkneemster ingezet in verschillende teams en onder verschillende leidinggevenden, is aan werkneemster ondersteuning aangeboden en ook is een mediationtraject doorlopen. Overigens is ook gebleken dat werkneemster zelf erg gedreven is om haar functie inhoudelijk goed te vervullen Naar het oordeel van de kantonrechter is onvoldoende uit de verf gekomen dat er een verstoorde arbeidsverhouding tussen Rijnland en werkneemster bestaat in de zin dat er sprake is van een conflictsituatie, die maakt dat op grond daarvan een samenwerking tussen Rijnland, zijn leidinggevenden en medewerkers enerzijds en werkneemster anderzijds niet langer mogelijk is en de arbeidsovereenkomst daarom ontbonden zou moeten worden. Uit hetgeen verder in deze procedure naar voren is gekomen blijkt dat Rijnland zich heeft ingespannen om werkneemster werkzaamheden te laten verrichten in verschillende teams en onder verschillende leidinggevenden. Telkens werd echter het gebrek aan samenwerkingsvermogen als een knelpunt in het functioneren van werkneemster benoemd. Ook heeft Rijnland zich ingespannen om werkneemster ondersteuning en coaching aan te bieden. Uiteraard mag werkneemster een andere beleving hebben van haar functioneren, maar uiteindelijk zal het oordeel over hoe werkneemster haar functie vervult zijn voorbehouden aan de werkgever. Mits voldoende onderbouwd, zal daarom uiteindelijk het oordeel van de werkgever over het functioneren van werkneemster doorslaggevend zijn. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Rijnland voldoende onderbouwd dat het gebrek aan samenwerkingsvermogen van werkneemster een reeds lang benoemd gebrek in het functioneren van werkneemster is en is gebleven en dat Rijnland het nodige heeft gedaan om het functioneren van werkneemster op het punt van samenwerking te verbeteren. Alles bijeengenomen komt de kantonrechter tot het oordeel dat er sprake is van disfunctioneren als voldragen ontslaggrond. De kantonrechter is echter van oordeel dat Rijnland het herplaatsingsvoorstel van werkneemster, of een na verdere onderhandeling overeengekomen aangepaste versie daarvan, een kans had moeten geven, desnoods door de ontbindingsprocedure voor enige tijd aan te houden. Daardoor had werkneemster uitzicht gehouden op baanbehoud, met de nodige inspanningsverplichtingen en concessies aan haar kant. In de context geplaatst van deze procedure is de kantonrechter van oordeel dat herplaatsing van werkneemster in een aangepaste vorm wel degelijk in de rede ligt. Nu werkneemster inziet dat terugkeer, na een zo lange periode van op non-actiefstelling en gelet op haar eigen voorstel om terugkeer bij Rijnland vorm te geven, niet meteen tot terugkeer bij Rijnland kan leiden, zal de kantonrechter Rijnland veroordelen om werkneemster toe te laten tot een werkplek die in grote lijnen conform het voorstel is van werkneemster. Gelet op de opstelling van Rijnland om uitsluitend in te zetten op beëindiging van het dienstverband met werkneemster, zal de kantonrechter aan deze verplichting een dwangsom verbinden van € 500 per dag of deel daarvan, dat Rijnland met deze verplichting tot wedertewerkstelling in gebreke blijft. Mede gelet op die opstelling van Rijnland zal de kantonrechter de verplichting tot wedertewerkstelling uitvoerbaar bij voorraad verklaren. De proceskosten worden gecompenseerd.