Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 23 oktober 2025
ECLI:NL:RBNHO:2025:12337
Feiten
Werknemer is per 1 januari 2022 in dienst getreden bij Crematie Centrum Westerhout B.V. (hierna: CCW) in de functie van algemeen medewerker. Werknemer is op staande voet ontslagen vanwege het bedreigen van zijn leidinggevende. Ook had werknemer volgens CCW werkafspraken niet uitgevoerd door bijvoorbeeld nabestaanden te vragen de knoppen op de oven in te drukken. Ook wordt werknemer verweten meermaals schade te hebben toegebracht aan machines en gebouwen. Werknemer berust in het ontslag op staande voet maar verzoekt toekenning van een billijke vergoeding van € 70.000, vermeerderd met de gefixeerde schadevergoeding en de transitievergoeding. Werknemer voert aan dat het ontslag vanwege de bedreigingen niet onverwijld is gegeven, terwijl de andere redenen onvoldoende dringend zijn voor ontslag op staande voet. Inhoudelijk betwist hij de gedragingen die hem in de ontslagbrief worden verweten. Ten slotte vordert werknemer nog vergoeding van gebitsschade als gevolg van een arbeidsongeval, (terug)betaling van de door CCW ingehouden bedragen alsmede uitbetaling van vakantiegeld en niet opgenomen vakantiedagen.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft CCW desgevraagd bevestigd dat de bedreiging met de dood op 16 april 2025 de eigenlijke reden vormde voor het ontslag op staande voet. Daarom zal de kantonrechter in deze procedure beoordelen of het ontslag op die grond rechtsgeldig is gegeven. Nu het ontslag op staande voet (pas) bijna drie weken na de bedreiging is gevolgd, oordeelt de kantonrechter dat dit niet tijdig is gegeven. Het ontslag op staande voet voldoet dus niet aan de wettelijke vereisten (de onverwijldheid ontbreekt). De kantonrechter oordeelt vervolgens dat de bedreiging door werknemer op 16 april 2025 wél voldoende aannemelijk is geworden. Werknemer heeft ter zitting toegegeven dat die dag een woordenwisseling heeft plaatsgevonden. Hoewel hij betwist ‘ik schiet je dood’ gezegd te hebben, erkent hij wel dat hij heeft geroepen dat de leidinggevende ‘aan het gas moest’. Werknemer heeft de inhoud van dit proces-verbaal niet weersproken. Werknemer heeft evenmin weersproken dat hij eerder bij begraafplaatsen moest vertrekken wegens grensoverschrijdend gedrag op de werkvloer en scheldpartijen tegen leidinggevenden. Gedurende de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter ook vastgesteld dat werknemer een felle manier van communiceren heeft en snel zijn geduld verliest. Dit allemaal in samenhang bezien, maakt dat de kantonrechter vindt dat CCW het voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat werknemer zijn leidinggevende op 16 april 2025 met de dood heeft bedreigd. Hoewel het ontslag niet onverwijld is verleend, stelt de kantonrechter vast dat het verwijt dat CCW kan worden gemaakt veel minder ernstig is dan de verwijtbaarheid van werknemer. Alle omstandigheden in aanmerking genomen, is de kantonrechter van oordeel dat er geen aanleiding bestaat werknemer te compenseren voor de fout die CCW in de ontslagprocedure heeft gemaakt zodat werknemer geen billijke vergoeding toekomt. Het verzoek tot toekenning van de transitievergoeding wordt afgewezen. De gefixeerde schadevergoeding wordt toegewezen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft CCW erkend als werkgever aansprakelijk te zijn voor de gestelde schade aan het gebit van werknemer. De kantonrechter zal de vordering ter hoogte van het gevorderde bedrag ad € 1.842,41 netto om die reden toewijzen. Ook het verzochte vakantiegeld en de verzochte vakantiedagen worden toegewezen. De proceskosten worden gecompenseerd.
