Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 23 oktober 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:14742
Feiten
Werknemer is door werkgeefster, een uitzendorganisatie, ontslagen en verzoekt vernietiging van het ontslag en betaling van vergoedingen. De kantonrechter in Rotterdam stelt ambtshalve zijn bevoegdheid ter discussie. Werkgeefster is gevestigd in Amsterdam en werknemer heeft laatstelijk gewerkt in een plaats binnen het arrondissement Zeeland-West-Brabant. Werknemer geeft niet aan welke van deze twee bevoegde rechtbanken zijn voorkeur heeft.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. De rechtbank Rotterdam is niet bevoegd. Zowel de rechtbank Amsterdam, waar werkgeefster is gevestigd, als de rechtbank Zeeland-West-Brabant, waar werknemer laatstelijk werkte, is bevoegd. Omdat werknemer geen voorkeur heeft uitgesproken en de rechtbank Amsterdam gelet op de woonplaats van werknemer en de vestigingsplaats van werkgeefster het meest voor de hand ligt, wordt de zaak op grond van artikel 270 Rv naar die rechtbank verwezen. De kantonrechter beoordeelt het ontslag en de gevorderde vergoedingen niet inhoudelijk. Verder wijst hij werknemer erop dat de rechtbank geen advocaat kan toewijzen en verwijst hij hem naar het Juridisch Loket.
