Rechtspraak
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 17 september 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:7642
Feiten
Werkneemster is per 25 september 2017 in dienst getreden bij Industriële Personeels Voorzieningen B.V. (hierna: IPV) in de functie van uitzend- en/of productiemedewerkster. Haar moedertaal is Roemeens en zij spreekt geen andere taal. Werkneemster wendde zich op 9 april 2026 tot een Duitse bedrijfsarts en meldde zich op 10 april 2026 ziek. Op 28 april 2026 ondertekende zij een Nederlandstalige vaststellingsovereenkomst, geantedateerd op 12 februari 2026. Daarin staat dat de samenwerking wordt beëindigd, dat werkneemster geen aanspraak maakt op een transitievergoeding en dat een bedenktermijn van 61 dagen geldt. Het UWV liet werkneemster weten dat zij daardoor niet in aanmerking komt voor een uitkering. Bij brief van 9 juni 2026 liet werkneemster weten dat de vaststellingsovereenkomst niet heeft geleid tot een rechtsgeldig einde van de arbeidsovereenkomst en dat zij zich beschikbaar houdt voor werk. IPV betaalde vanaf 20 april 2026 geen loon meer. In dit kort geding vordert werkneemster onder meer vernietiging van de vaststellingsovereenkomst, toelating tot haar werkzaamheden, afgifte van loonstroken, betaling van achterstallig loon met wettelijke verhoging van 50% en doorbetaling van het loon. Zij voert aan dat zij de Nederlandse tekst niet begreep en niet op de gevolgen is gewezen. IPV voert aan dat werkneemster zelf om ontslag vroeg en in de week na ondertekening heeft verklaard tijdelijk een pauze te nemen en in augustus terug te komen. Daarnaast betwist werkneemster dat zij voldoende Nederlands spreekt of begrijpt.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de vordering, nu werkneemster zonder inkomsten zit. Daarnaast wordt vooropgesteld dat het advies van de bedrijfsarts dat na de mondelinge behandeling is ingediend, buiten beschouwing blijft op grond van artikel 3.16 Landelijk procesreglement rechtbanken. De kantonrechter vervolgt met het oordeel dat een werknemer op grond van artikel 7:670b lid 2 BW een schriftelijke beëindigingsovereenkomst binnen veertien dagen zonder opgaaf van redenen kan ontbinden. Partijen zijn een ruimere bedenktermijn van 61 dagen overeengekomen. Tussen partijen staat vast dat de vaststellingsovereenkomst op 28 april 2026 is ondertekend, ondanks de datum van 12 februari 2026 bovenaan de overeenkomst. De brief van 9 juni 2026 is binnen de bedenktermijn verstuurd. Werkneemster heeft haar recht daarom tijdig ingeroepen, zodat de vaststellingsovereenkomst is ontbonden en de arbeidsovereenkomst voortduurt. Of sprake was van wilsovereenstemming of dwaling ten tijde van het sluiten van de overeenkomst, behoeft daarom geen bespreking. Uit de verklaring van de Duitse bedrijfsarts blijkt dat werkneemster naar verwachting vanaf 24 april 2026 weer kon werken. Nu niets anders is gebleken, is werkneemster arbeidsgeschikt en moet IPV haar toelaten tot haar werkzaamheden. In de periode 20 tot en met 23 april 2026 was werkneemster arbeidsongeschikt en heeft zij recht op loon. IPV heeft twee verklaringen overgelegd waaruit zou blijken dat werkneemster pas in augustus 2026 weer wilde werken. Werkneemster heeft dat gemotiveerd weersproken en voor nadere bewijslevering is in kort geding geen plaats. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat werkneemster zich op 9 juni 2026 beschikbaar stelde voor werk. Het is dan aan IPV als werkgever om haar op te roepen. Dat zij dat niet deed, komt voor haar rekening en risico. Het loon wordt daarom deels toegewezen. De afgifte van loonstroken wordt afgewezen, behalve over de periodes waarvoor loon wordt toegewezen, omdat IPV voldoende heeft weersproken dat zij de loonstroken niet heeft verstrekt. De wettelijke verhoging wordt gematigd tot 25%, gelet op de nalatige gedragingen van beide partijen. Werkneemster stelde zich niet direct beschikbaar en IPV riep haar niet op voor werk. Het toegewezen bedrag komt echter overeen met een wettelijke verhoging van 50%. IPV wordt in de proceskosten veroordeeld.
