Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever c.s.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 27 oktober 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:3033
Eindarrest. Bouwbedrijf is aansprakelijk voor de door werknemer geleden schade als gevolg van een bedrijfsongeval.

Feiten

Werknemer werkte bij werkgever als timmerman. Op 3 februari 2012 heeft op de werkplaats een ongeval plaatsgevonden waarbij werknemer is aangereden. Werknemer stelt dat hij als gevolg hiervan lijdt aan ernstige lichamelijke klachten en houdt werkgever aansprakelijk voor de schade. De kantonrechter heeft de vorderingen van werknemer afgewezen en geoordeeld dat niet vast is komen te staan dat de klachten (deels) een gevolg zijn van het bedrijfsongeval. Het hof heeft in een eerste tussenarrest geoordeeld dat een nader medisch deskundigenbericht nodig is ter verdere beoordeling van de vordering. In een tweede tussenarrest heeft het hof aan de deskundige nadere vragen gesteld die zien op het causale verband tussen het ongeval en de gestelde schade.

Oordeel

Het hof is van oordeel dat mede door het aanvullende deskundigenonderzoek duidelijk is geworden dat het bedrijfsongeval een van de twee oorzaken is van het ontstaan en het verdere beloop van de cervicale myelopathie. De deskundige heeft in de aanvullende rapportage geconcludeerd dat de bijdrage van het ongeval aan deze schade als ‘klein’ moet worden beschouwd en de bijdrage van de degeneratieve veranderingen als ‘zeer groot’. Hierbij heeft de deskundige allereerst in aanmerking genomen de ziekteperiode direct na het ongeval, alsmede het ongevalsrapport waarin bij de beschrijving van de verwonding/het letsel als plaats van het letsel zijn aangekruist “Hoofd” en “Romp/rug”, en als soort letsel “Kneuzing/verstuiking”. Vervolgens heeft de deskundige deze omstandigheden afgezet tegen de periode tot aan 24 mei 2013 waarin werknemer zijn werkzaamheden nog heeft kunnen verrichten. Eveneens heeft de deskundige de medische voorgeschiedenis bij zijn onderzoek betrokken en het feit dat werknemer al nekklachten had ten tijde van het ongeval. Aan de inhoud van de beide rapporten van de deskundige en hetgeen overigens in dit geding is gebleken, waaronder de toedracht van het ongeval (zie rechtsoverweging 6.11. van het eerste tussenarrest), verbindt het hof de gevolgtrekking dat het bedrijfsongeval van werknemer een van de oorzaken is van het ontstaan en het verdere beloop van de cervicale myelopathie. Daarmee staat naar het oordeel van het hof vast dat het bedrijfsongeval in het hiervoor benoemde rechtens relevante condicio sine qua non-verband staat met zijn gestelde schade en is de grondslag van de aansprakelijkheid van werkgever gegeven. Het hof is van oordeel dat de mogelijkheid dat schade is of zal worden geleden voldoende aannemelijk is, gelet op het vaststaande feit dat bij werknemer een cervicale myelopathie is ontstaan. Het is evenwel niet mogelijk enige eindbeslissing te geven over de omvang van de schade. Het debat hierover is nog onvoldoende gevoerd, aangezien de schadevordering tussen partijen nog nauwelijks onderwerp van debat is geweest. Dit debat zal ten aanzien van de gevorderde schadeposten nader moeten worden gevoerd mede met inachtneming van het aanvullende deskundigenonderzoek en de daarin geconcludeerde mate van bijdrage van de factoren die de schade hebben doen ontstaan. Dat geldt naar het oordeel van het hof ook voor de vraag naar de redelijke toerekening van schade volgens artikel 6:98 BW. Het hof acht het gelet op het voorgaande noodzakelijk de vordering tot schadevergoeding van werknemer in zijn geheel te verwijzen naar de schadestaatprocedure.