Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgever
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 13 oktober 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:10002
Werkneemster vordert achterstallig loon en bijkomende vergoedingen, maar werkgever stelt dat de arbeidsovereenkomst eerder is geëindigd en dat hij aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan.

Feiten

Werkneemster is met ingang van 10 februari 2025 in dienst getreden bij werkgever op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Werkneemster werkte dertig uur per week en ontving een brutomaandsalaris. In de arbeidsovereenkomst waren daarnaast afspraken opgenomen over pensioencompensatie, loondoorbetaling bij ziekte, vakantietoeslag en een vergoeding voor woon-werkverkeer. Werkneemster heeft zich op 22 juli 2025 ziekgemeld. Zij heeft werkgever vervolgens laten weten de arbeidsovereenkomst per 1 december 2025 te willen beëindigen en haar resterende verlofdagen in te willen zetten, zodat zij in november niet meer hoefde te werken. Werkgever heeft hiermee ingestemd en de beëindigingsdatum schriftelijk bevestigd. Later heeft werkgever voorgesteld om werkneemster met terugwerkende kracht beter te melden en de arbeidsovereenkomst eerder te beëindigen. Werkneemster heeft hierop niet gereageerd. Werkgever heeft het uitblijven van een reactie opgevat als instemming met het voorstel en vervolgens een eindafrekening opgesteld. Partijen hebben daarna gecorrespondeerd over de financiële afwikkeling van het dienstverband.

Werkneemster vordert betaling van achterstallig salaris, vakantiegeld, pensioencompensatie en een vergoeding voor reiskosten. Daarnaast vordert zij de wettelijke verhoging over het achterstallige salaris en vakantiegeld, de wettelijke rente en een proceskostenveroordeling. Werkneemster stelt dat werkgever bij de eindafrekening ten onrechte is uitgegaan van een eerdere beëindigingsdatum, terwijl partijen al hadden afgesproken dat de arbeidsovereenkomst per 1 december 2025 zou eindigen. Verder stelt werkneemster dat werkgever de overeengekomen pensioencompensatie verschuldigd blijft, ondanks de aanmelding bij een pensioenfonds. Werkgever betwist de vorderingen en stelt dat werkneemster heeft ingestemd met de eerdere beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Daarnaast voert werkgever aan dat werkneemster onvoldoende urenverantwoordingen heeft aangeleverd om de reiskostenvergoeding correct te kunnen berekenen. Ook stelt werkgever dat werkneemster geen aanspraak meer kan maken op de pensioencompensatie, omdat zij met terugwerkende kracht is aangemeld bij een pensioenfonds. Volgens werkgever heeft werkneemster ontvangen waarop zij recht heeft.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. De arbeidsovereenkomst is per 1 december 2025 geëindigd. Werkgever had immers ingestemd met het beëindigingsvoorstel van werkneemster en kon niet op een later moment eenzijdig een andere beëindigingsdatum bepalen. Uit het uitblijven van een reactie van werkneemster mocht werkgever evenmin afleiden dat zij instemde met een eerdere beëindiging, nu hierover al andere afspraken waren gemaakt en een eerdere beëindiging nadelige financiële gevolgen voor werkneemster zou hebben. Ten aanzien van de pensioencompensatie oordeelt de kantonrechter dat de aanmelding bij een pensioenfonds op zichzelf niet betekent dat de eerder gemaakte pensioenafspraken niet meer hoeven te worden nagekomen. Werkgever heeft onvoldoende onderbouwd dat hij een zwaarwegend belang had bij het eenzijdig wijzigen van deze arbeidsvoorwaarde. Werkgever is daarom gehouden de overeengekomen pensioencompensatie over de gehele arbeidsperiode te betalen, waarbij reeds betaalde bedragen in mindering worden gebracht. Omdat de arbeidsovereenkomst pas per 1 december 2025 is geëindigd, heeft werkgever ook te weinig salaris en vakantiegeld betaald over het resterende deel van november. Deze bedragen moeten alsnog worden voldaan. De kantonrechter wijst daarnaast de wettelijke verhoging over het achterstallige salaris en vakantiegeld gedeeltelijk toe, omdat werkgever deze bedragen niet tijdig heeft betaald. Wat betreft de reiskostenvergoeding oordeelt de kantonrechter dat werkneemster aanspraak maakt op de overeengekomen maximale kilometervergoeding voor de dagen waarop zij daadwerkelijk heeft gewerkt. De reeds door werkgever verrichte reiskostenbetalingen worden hierop in mindering gebracht. Ook wordt de gevorderde wettelijke rente toegewezen. Omdat werkgever grotendeels in het ongelijk is gesteld, wordt hij veroordeeld in de proceskosten en de nakosten.