Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Breda), 7 oktober 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:9938
Feiten
Werknemer is per 1 mei 2000 in dienst getreden bij een werkmaatschappij die valt onder werkgeefster als statutair directeur. Zijn arbeidsovereenkomst bevat een afvloeiingsregeling die de werknemer die zelf ontslag neemt recht geeft op een vergoeding indien de omstandigheden zodanig wijzigen dat van hem in redelijkheid niet kan worden gevraagd zijn functie nog langer te vervullen. De regeling noemt onder meer een reorganisatie of fundamentele beleidswijziging waardoor zijn functioneren in hoge mate en direct wordt beïnvloed. Per 1 mei 2008 is werknemer om formele redenen in dienst getreden bij werkgeefster, de holdingmaatschappij, met behoud van zijn directeursfunctie bij de werkmaatschappij. De afvloeiingsregeling is daarbij redactioneel aangepast en gemoderniseerd. In 2015 is de toepasselijkheid ervan opnieuw bevestigd. Werknemer maakt sinds 2008 tevens deel uit van de concerndirectie. Vanaf eind 2019 werkt het concern aan intensievere samenwerking en centralisering, onder meer door invoering van functionele rapportagelijnen voor HR, communicatie en innovatie. Werknemer vindt deze ontwikkeling onverenigbaar met zijn verantwoordelijkheid voor de werkmaatschappij en zegt bij brief van 31 juli 2020 zijn arbeidsovereenkomst op per 1 oktober 2020. Werkgeefster weigert de afvloeiingsregeling toe te passen. Werknemer vordert uitbetaling van de vergoeding uit de afvloeiingsregeling, vermeerderd met wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en juridische kosten.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. De afvloeiingsregeling moet worden uitgelegd aan de hand van de Haviltex-maatstaf. De oorspronkelijke bedoeling, bescherming van de volle, integrale managementverantwoordelijkheid van werknemer, blijft relevant. In 2008 is geen inhoudelijk nieuwe regeling overeengekomen; de bestaande regeling is slechts gemoderniseerd en redactioneel aangepast en in 2015 opnieuw bevestigd. Dit betekent echter niet dat iedere aantasting van de autonomie aanspraak geeft op een vergoeding. De regeling bevat een open norm die een wijziging van voldoende gewicht en substantie vereist. Anderzijds hoeft werknemer niet iedere autonomie te hebben verloren voordat hij daarop een beroep kan doen. Beslissend is of zijn autonomie zodanig wordt ingeperkt dat van een bestuurder, gegeven wat op dat moment bij die rol past, redelijkerwijs niet kan worden gevraagd zijn functie te blijven vervullen. Getoetst wordt naar het moment van opzegging, waarbij ook veranderingen meetellen waarvan werknemer redelijkerwijs mocht en moest verwachten dat deze binnen afzienbare termijn zouden worden doorgevoerd. De centralisering en de niet-vrijblijvende functionele rapportagelijnen hebben zijn zeggenschap daadwerkelijk geraakt: werknemer moest binnen meer concernbrede kaders opereren. Die aantasting is echter onvoldoende zwaarwegend. De veranderingen dienen begrijpelijke en op langere termijn mogelijk noodzakelijke concernbelangen. Werknemer behield bovendien als lid van de concerndirectie invloed op het beleid. Dat de CEO uiteindelijk de beslissende stem had, maakt dit niet anders; binnen de concerndirectie werd naar consensus gestreefd en deze werd doorgaans bereikt. Verder is niet komen vast te staan dat werknemer niet langer zelfstandig personeel kon aannemen en ontslaan. Ook de beoogde concernbrede communicatieapp betekende op zichzelf geen aantasting van zijn zeggenschap binnen de werkmaatschappij. Van werknemer kon daarom redelijkerwijs worden gevraagd zijn functie te blijven vervullen. De voorwaarden voor toepassing van de afvloeiingsregeling zijn niet vervuld en de vorderingen worden afgewezen. Werknemer wordt in de proceskosten veroordeeld.
