Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 9 oktober 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:9979
Feiten
De Stichting Belangenbehartiging EP-Deelnemers (hierna: de Stichting) behartigt de pensioenbelangen van oud-directieleden van ING Groep N.V. en NN Group N.V. (hierna: ING/NN) die vóór 2008 zijn benoemd. Tot 2002 waren hun pensioenen ondergebracht bij Pensioenfonds ING (PFI). In 2002 zijn de pensioenen na individuele instemming overgedragen aan NN Leven. Voor beide pensioenregelingen gold een voorwaardelijke indexering op basis van de consumentenprijsindex (CPI), met een maximum van 3% per jaar. Per 1 januari 2014 werd PFI verzelfstandigd, waardoor het fonds de indexering voortaan uit eigen middelen moest financieren. Vanaf 2015 kreeg PFI bovendien de mogelijkheid om aanvullende toeslagen toe te kennen als de financiële positie van het fonds dit toeliet. Van 2002 tot en met 2022 was de jaarlijkse indexering onder beide regelingen nagenoeg gelijk en nooit hoger dan 3%. In 2023 werden de pensioenen onder de EP-regeling met 6% verhoogd en die onder de PFI-regeling met 8%. In 2024 bedroeg de indexering respectievelijk 0% en 4%. In 2025 werden beide regelingen met 2,58% verhoogd.
De Stichting vordert primair een aanvullende indexering van 2% per 1 januari 2023 en 4% per 1 januari 2024. Daarnaast vordert zij dat ING/NN ook in de toekomst haar beleid met betrekking tot gelijke behandeling nakomt. Subsidiair vordert de Stichting een verklaring voor recht dat ING/NN onrechtmatig heeft gehandeld door een lagere koopsom aan NN Leven ter beschikking te stellen dan nodig was voor gelijke behandeling met de PFI-deelnemers. ING/NN moet volgens de Stichting alsnog een aanvullende koopsom betalen of de schade van de EP-deelnemers vergoeden. De Stichting stelt dat ING/NN toezeggingen heeft gedaan en consistent beleid heeft gevoerd over gelijke indexering.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt dat ING/NN niet verplicht is de EP-deelnemers dezelfde indexering te geven als de PFI-deelnemers. De indexeringsregeling voor de EP-deelnemers is niet veranderd en ING/NN heeft deze regeling nageleefd. In 2023 is de indexering na discussie verhoogd van 3% naar 6%. In 2024 bestond vanwege de negatieve CPI volgens de regeling geen verplichting tot indexering. Ook is niet gebleken van bindende toezeggingen dat beide groepen altijd dezelfde indexering zouden krijgen. Vanaf 2015 ontstond een andere situatie doordat PFI zelfstandig werd en de indexering uit eigen middelen moest financieren, terwijl ING/NN de indexering van de EP-regeling uit haar algemene middelen moest betalen. De EP-deelnemers mochten er daarom niet op vertrouwen dat toekomstige indexeringsbesluiten gelijk zouden zijn. Tot en met 2022 was bovendien geen gebruikgemaakt van de mogelijkheid om hoger dan 3% te indexeren. De verschillende indexeringen in 2023 en 2024 waren volgens de kantonrechter te verklaren door de verschillende financiering van de regelingen. Het stond ING/NN daarom vrij een andere indexering toe te passen dan PFI. De kantonrechter wijst zowel de primaire als de subsidiaire vordering af en veroordeelt de Stichting in de proceskosten.
