Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Almere), 16 september 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:6610
Feiten
Werknemer is op 23 juni 2025 bij werkgeefster in dienst gekomen op basis van een arbeidsovereenkomst voor zeven maanden. Het dienstverband is op 22 januari 2026 beëindigd. Op 3 oktober 2025 dan wel 27 oktober 2025 heeft werknemer zich ziekgemeld. Werkgeefster heeft met ingang van 8 december 2025 het loon stopgezet, omdat werknemer niet is verschenen op kantoor en geen uitvoering heeft gegeven aan het advies van de bedrijfsarts. Werknemer heeft een deskundigenoordeel aangevraagd. Het UWV heeft geoordeeld dat het werkhervattingsadvies van de bedrijfsarts te vroeg is geweest en niet voldoende is onderbouwd. Werknemer kon zijn eigen werk nog niet doen. Op 15 januari 2026 heeft werkgeefster het loon met terugwerkende kracht voldaan, maar nagelaten de wettelijke verhoging te voldoen. Werknemer verzoekt onder meer om betaling van de wettelijke verhoging over het te laat betaalde salaris, vergoeding van de kosten van het deskundigenoordeel en buitengerechtelijke incassokosten.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Werkgeefster had de loonstop niet had mogen opleggen en zij is de wettelijke verhoging over het te laat betaalde salaris verschuldigd. Op 8 december 2025 was er geen sprake van een situatie waarin werknemer niet wilde meewerken aan zijn re-integratie. Niet is gebleken dat werknemer verplicht en in staat was om op die datum fysiek op kantoor te verschijnen. Er vond wel overleg tussen partijen plaats, alleen niet op de door werkgeefster gewenste mondelinge wijze, maar schriftelijk. Dit maakt dat er toen nog geen sprake was van het zonder deugdelijke grond niet meewerken aan re-integratie. Voor zover al zou kunnen worden aangenomen dat werknemer niet aan zijn re-integratieverplichtingen heeft voldaan door niet op kantoor te verschijnen, is dit achterhaald door het deskundigenoordeel van het UWV. De verzekeringsarts heeft aangegeven dat het werkhervattingsadvies van de bedrijfsarts te vroeg is gegeven en ook niet voldoende is onderbouwd. Dat dit oordeel niet juist zou zijn, heeft werkgeefster niet aangetoond. Dit heeft werkgeefster kennelijk ook onderkend door met terugwerkende kracht het loon alsnog uit te betalen. Het voorgaande betekent dat werkgeefster het loon van werknemer onterecht niet tijdig heeft uitbetaald. De kantonrechter ziet geen aanleiding de wettelijke verhoging te matigen en wijst deze daarom toe. Ook de wettelijke rente over de wettelijke verhoging en de kosten van het deskundigenoordeel worden toegewezen. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen, omdat werknemer onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Werknemer heeft alle correspondentie zelf verzorgd.
